On board naar Innsbruck
Innsbruck is uniek. De hoofdstad van Tirol biedt de geneugten van een grote levendige stad, een luchthaven én 270 pistekilometer binnen handbereik. Vooral snowboarders komen aan hun trekken in de acht skigebieden rond Innsbruck. Verslag van een flitsbezoek.
In Innsbruck zijn de mogelijkheden eigenlijk onbeperkt: Je kunt naar een orgelconcert, het klokkenmuseum, de seniorenbeurs, de Alpendierentuin of een lekkere warme nertsmantel kopen. Maar we hebben helaas geen tijd voor deze activiteiten. Die kunnen we trouwens later nog wel eens doen: als onze spieren stram en de botten broos zijn.
Nee, we zijn hier gekomen voor het snowboarden. En zullen onze beperkte tijd hard nodig hebben om een glimp van alle mogelijkheden op te kunnen vangen van Innsbruck en de omringende skidorpen.
Innsbruck mag gerust ook de snowboardhoofdstad van Oostenrijk worden genoemd. Het grootste snowboardmerk Burton heeft hier al jaren zijn Europese hoofdkwartier en de universiteitstad ligt als een grote spin in een web van acht skigebieden. Met de Innsbruck Gletcher Skipass (á € 155,-) heb je zes dagen toegang tot de skibus en deze skigebieden met een totale lengte van 270 pistekilometer én –freestylers opgelet!- inclusief vijf funparken.
Tirol is natuurlijk al tientallen jaren een geliefde vakantiebestemming voor Nederlanders. Vooral gezinnen en fervente aprês-skiërs komen massaal naar dit deel van Oostenrijk. Maar sinds een paar jaar zijn de Tirolers –met succes- bezig om ook de fanatieke snowboarders naar hun zelfbenoemde Soulcountry te lokken. Tientallen skigebieden zijn aantrekkelijk gemaakt voor de boarders. En nagenoeg elke winterse week is er ergens in Tirol wel een hip snowboard-evenement met bijpassende muziek. De moeder van deze evenementen, Air&Style, staat ook nog op ons programma.
Wie zijn tijd optimaal wil benutten kan met het vliegtuig. Drie keer per week (op zaterdag en zondag) vliegt Air Alps van Schiphol naar Innsbruck. Het is een vluchtje van nog geen twee uur.
En als je dan nog een half uurtje rijdt, sta je opeens in het pittoreske Kühtai, het dal van de koeien. In de zomer grazen die hier in groten getale op de groene berghellingen. Als ode aan deze vriendelijke viervoeter staat een grote opgezette koe voor het toerismebureau. Zij is bijna net zo heilig als in India. “Er komen hier toevallig wel veel gasten uit India,” zegt onze gids Roberto. “Maar alleen in de zomer, ze wagen zich niet op ski’s.”
Kühtai ligt op 2020 meter en is daarmee het hoogst gelegen dorp van Oostenrijk. Helaas zijn we zo vroeg in het seizoen (begin december) dat er nog onvoldoende sneeuw ligt om een snowboardpark te bouwen. Zonder deze attractie blijkt hoe bescheiden dit gebiedje is. Ideaal voor beginners en families.
De beginnelingen van onze groep zullen zich ook niet snel vervelen en ze krijgen ook nog les van een lieftallige boerendochter die hier is opgegroeid en in Wenen voor dierenarts studeert. We zijn allen gecharmeerd van haar en ik zou bijna weer even bijles willen nemen.
In een ochtend hebben we alle pistes verkend.
De zon schijnt zo weldadig dat we op het terras onze lunch kunnen nemen. Vooral op wintersport merk je hoe duur Nederland is geworden. Voor nog geen tien euro eten we een complete schotel, een heerlijke schnitzel of gnocchi. Als voorafje is de Tiroler Knödel een absolute aanrader.
Als we moe maar voldaan terugkeren naar Innsbruck is de schemering al ingetreden.
December in Innsbruck is bijzonder. Vooral vanwege de kerstmarkt, die hier massaal wordt gevierd. Elke avond verzamelen zich duizenden mensen bij de stalletjes.
Het lijkt alsof de hele stad vanavond is uitgelopen. Ondanks de enorme drukte is de sfeer zeer gemoedelijk: kinderen vermaken zich in de kermisattracties, de volwassenen laten zich de glüwein goed smaken.
Wie Innsbruck goed wil leren kennen, moet eigenlijk een local bij zich hebben. Gids Roberto leidt ons naar een oude Cinema die is omgebouwd tot een levendig restaurant. Het is er bommetje vol. En ze brouwen hier ook nog hun eigen bier (Theresien Brau); door het raam kun je de enorme ketels zien. Daarna verkennen we het nachtleven. En die is door de grote studentenpopulatie behoorlijk levendig en gevarieerd; Innsbruck kent daardoor eigenlijk geen laagseizoen.
We houden ons in, want de volgende ochtend ‘doen’we de Axamer Lizum. Dit is hét snowboardtrefpunt van Innsbruck en omstreken. Het is een klein gebied met een grote historie (met drie Olympische pistes, dankzij de Spelen van 1964 en 1976) en veel mogelijkheden voor de boarders. Of je nu door de diepsneeuw wilt, of stunten in het funpark. Het is ook heerlijk carven op de brede pistes.
Dat er hier zoveel boarders zijn, heeft ook te maken met ‘Air&Style’, het mega-evenement dat ’s avonds in het naburige Seefeld wordt gehouden.
Seefeld is eigenlijk een rustiek oord voor langlaufliefhebbers, waar bontjassen en jaaghoedjes het straatbeeld bepalen. Behalve in dat roemruchte weekeinde, wanneer tienduizenden snowboardkids het stadje op stelten zetten. ’s Middags vroeg waggelen straalbezopen tieners al lallend door de straten. De bewoners hebben ongetwijfeld een zucht van verlichting geslaakt dat het evenement vanaf 2005 in München wordt gehouden.
Al missen ze wel een spectaculaire demonstratiewedstrijd, waarbij snowboarders duizelingwekkende sprongen maken. Maar de show wordt gestolen door de motorcrossers die worden gelanceerd door een smalle steile schans, tientallen meters door de lucht vliegen en de meest bizarre capriolen uithalen zoals salto’s en hangend achter hun motor.
Het blijft daarna nog lang onrustig in de binnenstad van Seefeld, waar alle café’s en disco’s tot diep in de ochtend stampvol zijn.
Dat het bezoek aan Nordpark-Seegrube op de laatste dag vervalt, heeft niets met een kater te maken maar louter met een gebrek aan sneeuw. Juist dit Nordpark, vlakbij Innsbruck, moet het hebben van zijn freestyle-faciliteiten, zoals een superpipe en grote schansen.
Er zit niets anders op: we moeten zeker een keer terug, op een iets sneeuwzekerder moment. En dan zullen de bezoekjes aan het orgelconcert en het klokkenmuseum weer moeten wachten.
(Gepubliceerd in Dagblad Spits, januari 2005)