De verloren zoon (die NBA-ster werd) is even terug, als discipel van John Wooden

Door Igor Wijnker

Swen Nater (Den Helder, 1950): dichter, schrijver van basketbalboeken, gastspreker en Nederlands succesvolste basketballer ooit. Deze week doet hij zijn geboorteland aan voor drie clinics en om de old school levenslessen van zijn mentor John Wooden te verspreiden.

 

Nieuwsgierigheid wekt hij wel op bij de studenten: de vriendelijke reus die moet bukken voor elke deur die hij in het Sportcentrum RuG passeert. Maar de basketbalhoofdstad van Nederland is niet bepaald uitgelopen voor Swen Nater.

 

Ach, zelfs in de Nederlandse basketbalwereld doet zijn naam niet bij iedereen een belletje rinkelen. Dat lijkt wat vreemd gezien zijn cv: drie keer werd hij landskampioen met UCLA van coach John Wooden, de succesvolste basketbalcoach aller tijden. Hij won tien titels in twaalf jaar.

 

Nater was geen basisspeler, omdat ene Bill Walton op zijn plek stond. De latere NBA-vedette Walton noemde hem wel de beste center tegen wie hij in zijn collegejaren had gespeeld. “Jij krijgt je kans bij de profs,” zei coach Wooden en zo geschiedde. Nater werd de eerste reservespeler in de historie die in de eerste ronde werd gedraft. Door de huidige NBA-kampioen San Antonio Spurs, dat toen in de ABA speelde. Nater werd rookie van het jaar en groeide later uit tot een vaste kracht in de NBA. In 1980 was hij de beste rebounder van de wereld. Nater heeft nog altijd een NBA-record op zijn naam staan: achttien defensieve rebounds in één helft. Zijn finest hours beleefde Nater in 1984, toen hij met de LA Lakers van Magic Johnson en Kareem Abdul Jabbar in de NBA-finale tegen Boston met Larry Bird speelde.

 

 

Dat hij hier niet zo’n grote meneer is komt ook doordat Nater al op zijn negende naar de VS emigreerde. Hij spreekt nog een paar woorden Nederlands en heeft geen flauw idee hoe lang hij in centimeters is. “6 foot 11…dat is toch 2.20 meter?” Al heeft hij ’s middags in de binnenstad van Groningen een delicious haring op die hoogte boven zijn geopende mond gehangen en in zijn 2.11 meter lange lijf laten glijden. “Ik ben nu een paar dagen in Nederland en ik voel me thuis,” zegt Nater. “Ik kan dat eigenlijk niet uitleggen.”

 

Maar ook, every inch een volbloed Amerikaan: de christelijke blijmoedigheid, enthousiaste en motiverende instructies tijdens zijn gasttrainingen aan de wat mindere goden in de sportzaal, zijn voordracht over leiderschap, ontzag voor het leiderschap van George Bush en in zijn dichtbundel A Reason for the Rhyme. De laatste strofen van zijn gedicht Beyond the basketball.

 

And far beyond instruction,
Beyond the hardwood class,
Beyond the game and all the tests,
Beyond the fail or pass,

 

The Teacher loved me, so he coached
Beyond gymnasium wall.
I thank my God, The Teacher taught,
Beyond the basketball

 

Nater heeft de bundel opgedragen aan Wooden, die een soort goeroe is voor Nater. Hij schreef recentelijk ook twee boeken met de 97-jarige coachlegende: een over de UCLA-aanval, de ander over de principes van Wooden.

Wooden staat voor hard werken, godvruchtig, positief, betrokken, succesvol. “Ik geloof in zijn filosofie, die niet alleen toepasbaar is in het basketbal maar ook in het dagelijks leven.”

 

De lessen van Wooden zijn de rode draad van Naters voordracht in de kantine, aan zo’n twintig basketballende studenten. “Zorg als coach dat alle teamleden aan ‘wij’ denken en niet aan ‘mij’.

Juist dat is een probleem in het Amerikaanse basketbal, waar het vooral om het individu gaat."

 

De VS is voorbijgestreefd door andere basketballanden die minder talent hebben maar dankzij teamspel winnen. “Team USA heeft die les wel geleerd,” zegt Nater. “Er is nu een beweging gaande om meer op teamplay te focussen.”

Al is Nater niet positief over de toekomst: “De NBA wordt geteisterd door schandalen. De spelers worden al verpest op high school, waar ze een schoenencontract krijgen en denken dat ze beter zijn dan anderen. Ze rijden zonder rijbewijs, ze slaan hun vrouw en ze komen ermee weg. En het is onze samenleving die heeft dit gecreëerd.”

 

Hoe blijft Nater dan toch zo blijmoedig?

“Well, Je doet wat je kunt. Ik noem het old school principes, want je ziet het niet zo veel meer op colleges. Ik zag coach Wooden propjes papier van de grond rapen van een van mijn teamgenoten, ik zag hoe hoffelijk en respectvol hij is tegen iedereen. Ik geef die boodschap graag door.”

Tegen zijn jonge toehoorders. “Onderzoek waar je talent ligt, ontwikkel dat en zorg dat anderen er ook van profiteren.”

Een student stapt na afloop schuchter met een bloknoot op Nater af voor trainingsadviezen. “Have a seat,” zegt Nater met een vriendelijke lach.

Wooden kan tevreden zijn.

(Gepubliceerd in NRC/Handelsblad op 20 oktober 2007) 

Behept met een extra zintuig voor basketbal

In het land van de wereldkampioen worden de basketballiefhebbers al verwend, maar er is één speler op wie alle superlatieven van toepassing zijn. Ricky Rubio, de 16-jarige spelverdeler van de Spaanse en Europese topclub DKV Joventut. Volgens kenners zou hij nu al in de NBA kunnen spelen. Dit weekeinde was hij in Groningen.

 

El milagro de Ricky wordt het op youtube genoemd, het wonder van Ricky. Het gebeurde in de EK-finale onder 16 jaar in Linares. Rusland had in de slotseconden een driepunter gescoord: 87-84. Ruim 2500 toeschouwers in rauw, ook de Spaanse coach die geen moeite deed nog een time out te nemen. Er was één persoon in de hal die meende dat de wedstrijd nog niet was afgelopen, ook al stond er nog een luttele 1,4 seconde op de klok. Hij kreeg de bal toegeworpen van zijn teamgenoot (een ziekenhuisbal van de buitencategorie) wist ‘m met een snoekduik toch te vangen bij de middenlijn en -besprongen door twee Russen- direct door te transporteren. Met een hoge boog ging de bal via het bord door de ring.

In de verlening trok Spanje alsnog aan het langste eind. De statistieken van Rubio: 51 punten, 24 rebounds, 12 assists en 7 steals. Surrealistische cijfers. Niet voor Rubio, want het was zijn derde tripple double van het EK. Die kwalificatie krijgt elke speler die met drie scores in de dubbele cijfers komt. In de halve finale noteerde Rubio een zeldzame quadruple double.

 

Resultaten in de jeugd bieden echter geen garantie voor de senioren.

Ware het niet dat hij zich daar ook reeds had gemanifesteerd. Ricard Rubio Vives was veertien jaar toen hij in het eerste van DKV Joventut Badalona debuteerde. Hij kwam in het veld tijdens de Lliga Cataluña, toen zijn team twaalf punten achter stond tegen Girona. Een slungel met een onvolgroeid lijf en disproportioneel lange armen.

En dan dat olijke gezicht met die grote ogen onder zware wenkbrauwen en dat Beatles-kapsel; alsof een cartoonist zich op hem had uitgeleefd. De Girona-spelers gniffelden. Zodra het groentje zijn eerste bal kreeg begonnen ze op hem te jagen. De Girona-grijns werd al snel een grimas; het joch was niet van de bal te krijgen.

Rubio dribbelde de bal door zijn benen, achterlangs, strooide met passes, stal ballen en scoorde. Toen hij vijf minuten later weer naar de bank mocht was de achterstand nog drie punten en even later won zijn team de wedstrijd. Ex-NBA-speler Elmer Benett, de 37-jarige routiner van DKV, kon zijn ogen nauwelijks geloven. “Ik dacht dat een jochie van veertien in problemen zou komen tegen die grote mannen, maar het deed hem niets. Hij voelt geen enkele druk.”

 

Kort daarna debuteerde Rubio in de ACB, de Spaanse eredivisie. De gebeurtenis haalde alle landelijke journaals en kranten. Rubio speelde achteloos en indrukwekkend. Zijn coach García Reneses probeerde de gemoederen te kalmeren. “Hij hielp ons de wedstrijd winnen, maar het belangrijkste is zijn toekomst. We moeten hem niet te veel bewieroken.”

 

Al liet de 60-jarige topcoach hem ook niet bepaald rustig acclimatiseren. Begrijpelijk want uit cijfers blijkt dat DKV mét Rubio een veel hoger rendement heeft. Op zijn vijftiende was hij al een volwaardige speler in de ACB en de Euroleague, de Champions League van het basketbal.

 

Rubio is vergeleken met Magic Johnson, de beste pointguard uit de NBA-historie. Maar de overeenkomsten met Pete Maravich –zowel qua spel als uiterlijk- zijn bijna griezelig. Alsof de in 1988 plotseling overleden magiër is gereïncarneerd. Dezelfde creatieve, speelse stijl; hetzelfde markante hoofd.

 

Een verslaggever van het toonaangevende Amerikaanse SLAM Magazine reisde naar Europa om het fenomeen te aanschouwen en schreef. “Ik hoopte eigenlijk dat hij niet zo extreem goed zou zijn als mij was verteld. Maar hij was nog beter dan ik verwachtte. Hij zou nu al in de NBA kunnen spelen. Rubio heeft een hoog basketbal-IQ en komt met de meest waanzinnige oplossingen, ballen die nooit eerder zijn vertoond.”

Tijdens de oefenwedstrijd, die de Spanjaarden zaterdag zonder veel inspanning wonnen (63-83), waren vonken te zien van een onwaarschijnlijk talent. En zelfs wat misbaar toen teamgenoot Moiso –een beer van 2.11 meter met zes jaar NBA-ervaring- een sublieme no look pass van Rubio niet afrondde.

“Het enige wat je moet doen als je met hem speelt is dat je altijd de bal moet verwachten. Hij passt ook vaak als hij niet naar je kijkt,” zegt Henk Norel (20), de Nederlandse center die ook tot 2010 onder contract staat bij DKV, maar dit seizoen is uitgeleend aan Alicante. Rubio mag overigens in 2009 al weg, voor 6 miljoen euro.

Norel verwacht in 2008 met Rubio te worden herenigd. “Als ik met Ricky speelde dan maakte ik vaak over de dertig punten; hij trekt alle verdedigers naar zich toe en kan ontzettend goed passen. Het is alsof hij een extra zintuig heeft voor basketbal.” En verbazingwekkend lange armen. Norel: “Ik ben 2.12 meter en mijn wingspan is 2.20 meter, die van Ricky (1.90m lang) is 2.08-2.10.”

Norel is bevriend met Rubio en ziet de gekte van nabij. “Als je in Barcelona of Madrid met hem loopt dan wordt hij door iedereen herkend of aangeklampt. Hij is nu al onsterfelijk in Spanje. Maar hij blijft er heel rustig onder. Ricky is een erg nuchtere jongen.” Dat beaamde García Renenes, die zaterdagavond liefdevol sprak over zijn piepjonge spelmaker. “Ricky is heel belangrijk voor ons en ja, hij kan de druk aan. Zijn hoofd is heel goed.”

 

De belangrijkste taak is Rubio niet te laten bezwijken onder de druk. Om hem te beschermen mag hij tot zijn 18e geen interviews geven. “Er wordt heel goed op hem gelet,” zegt Peter de Bos, de agent van Norel. “Hij kan rustig worden gebracht omdat Spanje al een aantal topguards heeft.”

Al is het niet uitgesloten dat hij volgend jaar op de OS speelt. Vorige week vernederde DKV met een weergaloze Rubio de Europese grootmacht FC Barcelona. Zaterdag kon worden vastgesteld dat van El milagro de Ricky geen woord is overdreven.

(Gepubliceerd in NRC/Handelsblad op 2 oktober 2007 en een dag later in NRC Next)

Hier gaat niemand dat boek lezen

Natuurlijk waait het in Hongerige Wolf, de noordelijkste nederzetting van Reiderland, de meest noordoostelijk gelegen gemeente van Nederland. Maar de wind is zacht en deze misschien wel laatste milde dag van het jaar heeft Freek en Jan (‘geen achternamen graag’) verleid een stoepje te leggen voor Jans huis aan de G. Gernaatweg. Jan sleept met de tegels, Freek -op zijn knieën in vale joggingbroek, inclusief bouwvakkersdecolleté- slaat ze erin.

 

“In de winter is het hier minder vriendelijk hoor,” zegt Jan, die een haarlok tegen zijn rechterslaap plakt. De Rotterdammer belandde hier ruim 25 jaar en voelde zich thuis in de desolate vrijstaat, waar je uitzicht hebt op oneindige hectaren zwarte klei en je in de berm nog het karkas van een tv kunt tegenkomen. “De meeste westerlingen gaan na één of twee winters weer weg. Little Siberië noemen ze het hier.”

 

Het was die januariavond in 1991 ook Siberisch koud toen hun excentrieke buurman van nummer 21 met een breekijzer de schedel van zijn vrouw Hannie insloeg en haar begroef. Het gehucht werd wereldberoemd door de misdaad en de nasleep (-de dader schreef er een boek over en werd pas negen jaar later opgepakt.) Hoopten de buurtbewoners ooit nog van dit stempel af te komen; met het alsnog verschijnen van Woensdag gehaktdag op 3 oktober is die hoop definitief verdwenen.

 

Het boek is een ode aan Hannie, zegt de schrijver Richard Klinkhamer. Het is ook rancuneus; een keiharde afrekening met zijn vroegere buren. Jan en Freek willen best een stukje uit het boek horen. ‘Ze hebben niet alleen klei onder hun zolen, mest tussen de tenen, maar ook stront op de plaats waar men hersens zou verwachten.’ De twee moeten er hartelijk om lachen. “Jaja, een mooie kerel die Klinkhamer,” zegt Jan. Maar het boek gaan ze niet lezen. “Alleen als ik het gratis krijg,” zegt Freek, “in de bieb lenen? Oh ja, dat ken ook nog.” Jan: “Waar leg dat ding eigenlijk?”

 

Kunstenares Rie Honhof was tot zijn verhuizing/vlucht in 1997 naar Amsterdam de overbuurvrouw van Klinkhamer. Ze wil eigenlijk niet over hem spreken. “Dat is precies waar hij op uit is. Ik vind het heel onfris dat hij er munt uit probeert te slaan. Hij kan wel schrijven hoor, zijn stijl lijkt op Céline. Maar dit boek ga ik niet lezen en volgens mij geldt dat voor de meeste mensen uit de buurt. Iedereen is klaar met hem.” Dat blijkt niet helemaal uit de uitleencijfers van bibliotheek Finsterwolde. Tussen woord en moord, de biografie over Klinkhamer, is sinds de verschijning in 2004 bijna permanent uitgeleend. “En er is ook al veel vraag naar Woensdag gehaktdag,” zegt bibliothecaris Jaap van der Meer.

 

Vijfhonderd meter verderop is in Café Van der Paard een prijsuitreiking van Hengelsportvereniging De Dobber. Een bonte verzameling autochtonen in visoutfits zit rond het biljart dat bezaaid is met tientallen prijzen. Plastic zakken met kip, worst of speklappen; niemand gaat straks met lege handen naar huis. In dit café komt het veelvuldig door Klinkhamer bezongen biermerk zowel uit de tap als de fles. “Hij was een thuisdrinker,” zegt eigenaar Wies van der Paard. Op de naam Klinkhamer reageert hij –net als de andere mannen- laconiek. Alleen zijn vrouw Akkie is ongemeen fel. “Ze moeten hem aan de hoogste boom van Finsterwolde ophangen.” En dat is niet omdat hij nooit een gulden in haar café heeft uitgegeven.

(Gepubliceerd in Vrij Nederland, 29 september 2007)

 

Demonstrant in de WHO-bocht (week 34)

 

In Genève, waar de auto wordt bemind, is de Avenue Appia een geliefde straat. Een brede kronkelweg die dwars door de bosrijke heuvels snijdt, langs de hoofdkantoren van de ngo’s, met uitzicht op de oude stad, het meer met de fontein en de Mont Blanc.

 

Een sensationele ervaring moet het zijn met minimaal 200 pk onder de motorkap, scheurend door het geweten van de wereld.

Chauffeurs die hun baas zojuist hebben afgeleverd bij een belangrijke vergadering mogen er graag een ommetje maken.

 

Komende uit de stad begint de lol al op de Avenue de la Paix waar bij de rollen prikkeldraad van vesting Rusland de snelheid wordt opgevoerd om in een vloeiende beweging linksaf de Av. Appia op te schieten. De avenue heeft een aanzienlijk hoogteverschil en een paar heerlijke bochten die de coureur stevig in zijn stoel drukt. Langs de gemillimeterde gazons en de enorme hoofdkantoren van het Rode Kruis en de International Labour Organisation (ILO).

 

Zelfs de behoorlijk haakse bocht naar links, bij het hoofdkantoor van de World Health Organisation, wordt door de meeste Geneefse bolides in de derde versnelling genomen. (Had Genève net als Monaco een stratencircuit dan was de WHO-bocht ongetwijfeld een legende geweest.)

 

Op een putdeksel in de berm van deze bocht staat al enige dagen een gedrongen vrouw op witte gympen te glimlachen. Ze wordt geflankeerd door twee geplastificeerde spandoeken, (strakgespannen op een stalen frame zodat de luchtwervelingen van de auto’s er geen vat op krijgen.) Crime of Chernobyl en WHO 21 years of silence and lies, daartussen de onverstoorbare Monique Guittenit, ook voorzien van tekst, die ze draagt als een soort keukenschort: Amend the Agreement between WHO and IAEA!

 

Ze is een van de vrijwilligers van de actiegroep die demonstreert voor een onafhankelijke WHO. Sinds april staat de groep, in wisseldiensten, permanent voor het hoofdkantoor van de WHO. Aanvankelijk pal voor de hoofdingang, maar na ingrijpen van de politie honderden meter verder in deze berm. Door boom en struik volledig aan het zicht onttrokken van directeur-generaal Chan en haar onderdanen.

 

Guittenit (week 34) maakt lange werkdagen. Ze staat er van 7.30 tot 18.00 uur, vooral voor de slachtoffers van Tsjernobil. “Die lijden nog steeds, terwijl de wereld onverschillig blijft. De WHO kan en moet dat veranderen.”

 

In haar rugtas heeft Guittenit een informatiepakket van zeventien A4’tjes, in drie verschillende talen. Voor geïnteresseerden.

Maar de autocoureurs moeten al hun aandacht en stuurmanskunsten aanwenden om de WHO-bocht met goed resultaat te nemen en de wandelaars die aan de overkant in drommen voorbij komen, zijn werknemers van de WHO. Ze zijn op weg naar hun lunch.

Links klinkt aanzwellend gebrom van een donkerblauwe Mercedes die van de tweede naar de derde versnelling schakelt: de Avenue Appia wacht. Het schort van Guittenit wappert.

(Gepubliceerd in Vrij Nederland, 15 september 2007)

‘Zo langzamerhand ben ik dat boek natuurlijk meer dan zat’

Op pad met Libriskandidaat Gerbrand Bakker

 

  'Ik moet gewoon weer aan mijn tweede boek schrijven.'         Foto: Igor Wijnker

Vanavond wordt de Libris Literatuurprijs uitgereikt. Het zou voor de genomineerde Gerbrand Bakker de mooie apotheose zijn van een bizar jaar, waarin hij geen letter op papier kreeg. Sinds het verschijnen van zijn debuutroman Boven is het stil reist hij namelijk het hele land door voor energievretende lezingen en interviews. Een zonnige zondagmiddag op tournee met een misselijke schrijver.

 

“Ik ben helemaal niet lekker,” zegt hij door de telefoon, gevolgd door een schamper lachje: “maar ik heb geen nummer van de organisator, dus ik kan me niet afmelden.” De organisatie is deze keer de Rotterdamse boekhandel Donner waar Bakker met collega’s Henk Hofland en Marjolein Februari voor een publiek zal worden geïnterviewd.

 

Voor een zieke schrijver is zijn tred over perron 5b van Amsterdam CS nog heel behoorlijk. Een boerenzoon doet niet zielig. Hij vertelt zelfs met een zeker plezier over zijn miserabele gesteldheid. “Ik heb wat verkeerds gegeten: onbekende visdingetjes in Haarlem en ’s avonds nog taart en van die andere liflafjes. En koffie, jenever, witte wijn, rosé.” Maar misschien, zegt hij vervolgens doodleuk, is het gewoon spanning voor Libris D-Day.

 

Het is niet zo vreemd dat Bakker een veelgevraagd spreker is in het literaire lezingencircuit. Het is een onweerstaanbare combinatie van gezellige West-Friese nuchterheid, een gezonde dosis zelfspot, een vrije literaire geest die geen onderwerp schuwt en af en toe zo’n uitroep die doet vermoeden dat hij van de club is. Over schrijven zegt hij bijvoorbeeld: “Ik schrijf

alleen maar ’s ochtends, drie uur is lang zat, ik moet er niet aan dèn-kèn om nog eens ’s avonds…gadverdamme nee!” Hier trekt hij dan ook nog een heel vies gezicht bij.

 

Het schrijven, gevoelig punt. Gerbrand Bakker hangt al een jaar de schrijver uit. Sinds Boven is het stil de harten van tienduizenden Nederlandse lezers heeft veroverd reist de schrijver door het land om daarover te vertellen. “Het is bizar. Ik heb nu al weer drie lezingen voor april volgend jaar. Ik moet ze nu echt van me af slaan die SSS (stichting Schrijvers School en Samenleving)

Het is vreselijk, maar ik heb het hele jaar geen letter op papier gezet.”

 

Optreden en schrijven zijn niet te combineren. “Dan kom ik laat thuis van een lezing en dan ben ik zo opgefokt, iedere keer nog. Dat zuígt een energie joh. Dan kan ik echt niet meer schrijven. Ja…een dingetje.”

 

Een dingetje is een bijdrage voor www.gerbrandsdingetje.nl, zijn weblog dat hij bijna dagelijks ververst met openhartige belevenissen, die al naar gelang zijn gemoed vilein, grappig, broeierig, poëtisch of deprimerend zijn. “Zo’n weblog is heel verslavend heb ik gemerkt. Het houdt me niet van het Echte Schrijven hoor. Zo’n dingetje schrijf ik meestal ’s avonds.”

 

Hij kijkt naar buiten. “Zonde hè. Zitten we in de trein en is het zulk mooi weer.”

Hij heeft in zijn dingetjes al tegen de nodige schenen geschopt, of die nou van familieleden, collega’s, juryleden van literaire prijzen of boekhandelaren zijn. “Maar dat wordt nu uitgelegd als ‘oh, het is meneer naar het hoofd gestegen.’ Onzin, ik ben altijd al een driftig mannetje geweest. Ik heb wel al een paar keer op mijn donder gekregen van mijn uitgeefster Eva Cossee. ‘Hoho, Bakkertje, je moet er wel rekening mee houden dat je nu een publiek iemand bent, je kunt niet alles meer opschrijven’. En daar baal ik dus ècht van. Ik moet nu trouwens heel nodig naar de wc.”

 

Van Rotterdam Centraal naar de boekhandel heeft Bakker de pas er stevig in. Hij slalomt soepel door de trage, kooplustige mensenmenigte. “Wat wel leuk is: ik heb al driekwart jaar geen rode wijn meer hoeven kopen.” Bakker vraagt een politieagent de route naar Donner. Agent: “Wilt u een gezellige route langs de winkels of een…” Bakker, kapt hem af: “Hè gadverdamme, winkelend publiek, bah! Nee, doe maar de snelste route.”

 

In Donner vertelt Bakker de organisatrice meteen waarom hij niet lang kan blijven. “En ik moet nu ook naar de wc.” Hij wordt naar de personeels-wc geleid en komt interviewer Pieter Steinz tegen. “Libris-stress,” zegt Bakker. (Na het intoetsen van een code wordt de deur ontgrendeld. “U kunt de code wel krijgen,”zegt de vrouw, ietwat bezorgd. “Nee hoor,”antwoordt Bakker, “anders weet ik straks mijn pincode niet meer.”

 

Gelukkig, hij mag als eerste, windt zijn interviewer en de 150 toehoorders achteloos om zijn vinger en gaat zonder te signeren snel huiswaarts. Met een tasje boeken en de reiskostenvergoeding. Van enige stress was niets te merken. “Oh nee? Als ik straks thuis ben, ben ik kapot. Ik krijg daar ook geen routine in. Ik merk aan andere schrijvers dat ze vaak een schildje om zich heen hebben opgetrokken. Maar ik kan dat niet. Het voordeel is wel dat iedere lezing anders is. Al krijg ik natuurlijk wel altijd dezelfde vragen: over tweelingen en over de bonte kraai. Zo langzamerhand ben ik dat boek natuurlijk meer dan zat. En ik moet nu gewoon weer

mijn aan tweede boek schrijven.”

 

Eerst nog de Libris-prijsuitreiking, die live op tv wordt uitgezonden. “Oh man, ik ben óp van de zenuwen.” De uitreiking wordt oorafgegaan door een chique diner in het Amstel Hotel. Dat is iets anders dan het familie-etentje dat hij onlangs op zijn weblog beschreef. “Ik heb inmiddels iets van etiquette geleerd en voel me daardoor zekerder, maar uiteindelijk vind ik het ook gewoon lekker om met eten te gooien.”

(gepubliceerd in De Pers, 7 mei 2007)

Wij voetbalden in juni 1974 met het grote Oranje

 

Vier dagen voor Cruijff en de zijnen hun triomftocht op het WK voetbal begonnen, oefende Oranje nog één keer: tegen SV Vaassen. De uitverkorenen van toen kijken terug op die bijna mythische wedstrijd waarin de contouren van het totaalvoetbal al doorschemerden. En Rinus Michels had nog een verrassing in petto.

 

Op dinsdag 11 juni 1974 stond timmerman Gert Smallegoor om 5.15 uur op. De rechtsmidden van SV Vaassen werd om 7.00 uur op zijn werk verwacht. Hij was wel iets minder uitgerust. Hij had liggen woelen: ’s middags zou hij namelijk een wedstrijd spelen tegen het Nederlands elftal. Als de 26-jarige amateur had geweten dat hij zelfs mét een aantal internationals zou voetballen dan had hij waarschijnlijk helemaal geen oog dicht gedaan.

 

Dit lijkt de wat al te dik aangezette eerste alinea van een fictief jongensboek voor volwassenen. Ware het niet dat Smallegoor echt was uitverkoren om tegen het Nederlands team te spelen, in de allerlaatste oefenwedstrijd voor het WK voetbal in Duitsland.

Oranje met al zijn wereldtoppers en in de aanval een speler die zelfs daar nog ver boven verheven was: Johan Cruijff. Dat bleek ook uit de rugnummers: Cruijff was de enige die van Michels met zijn eigen rugnummer mocht spelen. Henk de Weerd, de 24-jarige verdediger van SV Vaassen en werkzaam bij de gemeente Epe (afdeling bouw en riolering), zou nummer 14 –die graag over het hele veld zwierf- ongetwijfeld vaak tegenkomen. Bij collega’s had hij behoorlijk wat jaloezie gewekt. “SV Epe en SV Vaassen: dat is haat en nijd,” legt De Weerd uit. “Als zij begonnen op te scheppen over SV Epe , zei ik steevast: ‘jullie hebben nooit op niveau gevoetbald; ik speel nog wel eens tegen Barça of het Nederlands team.”

 

Door handig lobbywerk van bestuurslid Piet Scheurs had SV Vaassen in de zomer van 1973 ook al tegen het Barcelona van Rinus Michels geoefend. “Maar dit was toch van een ander niveau,” zeggen de hoofdrolspelers bijna 33 jaar na dato in de bestuurskamer van de club waarvoor zij allen zo lang speelden. “En nu zouden we wél tegen Cruijff spelen.”

Cruijff kwam pas na de zomer van 1973 naar Barça, voor een recordbedrag (zie kader).

De zomer van 1974: de wereld maakt kennis met een fenomeen

 

In 1974 had Johan Cruijff de wereld aan zijn voeten: met Ajax had hij alles gewonnen, hij schitterde in zijn eigen film (Nummer 14), was voor het hoogste transferbedrag aller tijden (6 miljoen gulden, waarvan de helft voor JC) in het najaar van 1973 naar Barcelona getransfereerd en werd met overgrote meerderheid gekozen tot Europees voetballer van het jaar

 

Dat Cruijff dacht hij de reïncarnatie was van die andere JC, bleek toen hij in het begin van dat jaar als speler van Barcelona na een rode kaart weigerde het veld van Salamanca te verlaten. Pas toen de plaatselijke politie eraan te pas kwam zocht El Salvador de kleedkamer op. Een paar maanden later zou hij zich onsterfelijk maken in Catalonië door zijn club voor het eerst sinds veertien jaar kampioen van Spanje maken.

 

Maar zijn wereldfaam zou hij in juni en juli van dat jaar vestigen, als leider van de oranje machine die iedereen verbijsterde. Hij had de ideale leeftijd (27 jaar) en was verheven boven zijn medespelers; hij mocht als enige van Michels tijdens het WK met zijn eigen rugnummer spelen. “Als Nederland totaalvoetbal speelde,” schreef sportschrijver David Miller, “than he was THE Total Footballer. Pythagoras op voetbalschoenen.”

 

Zijn wereldklasse, flair en elegantie toonde hij in de wedstrijd tegen Argentinië (4-0, twee goals), maar kwam bovenal tot uiting in zijn sublieme volley in de halve finale tegen Brazilië (2-0). Hij won geen goud met oranje, maar Cruijff werd gekozen tot beste speler van het toernooi, na het WK als enige speler geridderd, vervolgens weer gekozen Europees voetballer van het jaar en hij won –misschien wel de grootst denkbare trofee- de harten van voetballiefhebbers over de hele wereld.

Barcelona won destijds overigens met 6-0 en trainer Michels stond na afloop ontspannen met supporters na te praten in de kantine. Aanvoerder Jan Rodijk: “Dat ging echt op z’n Amsterdams, heel gezellig. Hij heeft daar wel een half uur gestaan.”

 

De wedstrijd tegen het Nederlands team was van een andere orde. Het WK stond niet voor de deur…het bonsde er op: over vier dagen al speelde oranje zijn eerste poulewedstrijd tegen Uruguay. En de Generaal had zorgen: de vorige wedstrijd tegen hoofdklasser Zwart Wit’28 was die zaterdag allerminst soepel verlopen en Nederland won nipt, met 2-1.

 

De wedstrijd tegen Vaassen was de allerlaatste test voor Michels.

Hoe serieus de oefenwedstrijd was, op het afgegrendelde KNVB-complex in Zeist, ondervonden de spelersvrouwen van Vaassen. Die waren niet welkom. Zelfs aanvoerder Jan Rodijk, die kort daarvoor zijn been had gebroken (op een autoloze zondag), mocht niet mee. “Natuurlijk was ik hartstikke jaloers op mijn teamgenoten,” zegt hij nu, “tjonge, wat was ik daar graag bij geweest.”

 

Dat privilege was slechts weggelegd voor de selectie, drie bestuursleden en de vorige trainer Kemper die met SV Vaassen in mei nog naar de tweede klasse was gepromoveerd. Met een halfgevulde touringcar vertrokken de uitverkorenen naar Zeist. Het was geen vakantie-uitje; fototoestellen waren verboden. “Jammer,” zegt middenvelder Smallegoor, “anders had ik Cruijff wel op de foto gezet.”

“Maar het was natuurlijk een geweldige belevenis,” zegt Gert Plucker, destijds leraar van de zesde klas van de Kouwenaarschool in Vaassen. “Bij hoge uitzondering kreeg ik verlof op dinsdagmiddag. De kinderen waren nog blijer dan ik.”

 

Boy van de Esschert, de 27-jarige doelman die zijn brood verdiende in een slachthuis, was toch wel iets zenuwachtiger dan normaal. “Ja, als je met zulke jongens mag voetballen.”

“Ik weet nog toen we in Zeist arriveerden dat zij net uit bed kwamen, het was een uur of drie,” zegt Smallegoor, die er zelf al een werkdag op had zitten.

Henk de Weerd lacht: “Behalve de gebroeders Van de Kerkhof en Pleun Strik. Die waren ’s ochtends te laat op het appel verschenen en moesten voor straf 3 km hardlopen. In een heel hoog tempo.”

 

Van de Esschert schroomde niet voor de wedstrijd nog even met de internationals te praten. “Het waren korte gesprekjes, maar ze deden heel aardig.”

De amateurs gaven hun ogen goed de kost. De Weerd: “Ik kwam vooral kijken hoe Cruijff eruit zag, hoe ze die bal behandelden. Die wedstrijd was bijzaak. Ik dacht: ‘we gaan lekker een potje voetballen’. Maar de grote Generaal besliste anders.”

Kort voor de aftrap vertelde Michels dat hij zijn defensie wilde testen met échte tegenstand, dus moesten al zijn verdedigers de eerste helft bij Vaassen meespelen. Linksback De Weerd moest plaatsmaken voor Ruud Krol. “Ik baalde enorm, maar dat heb je maar te slikken.”

 

Middenvelder Smallegoor: “Ik was zo blij als een kind dat ik met Suurbier en Krol mocht voetballen. Dat ging wel lekker met Suurbier in mijn rug. Maar als ik iets te gretig naar voren ging, riep hij ‘hé boertje, niet zo ver!’. En wanneer ik een beetje met de bal ging draaien dan kreeg ik gelijk op mijn flikker. Maar het mooiste vond ik dat mijn directe tegenstander Van Hanegem me de ruimte gaf. Hij dacht: ‘Laat dat mannetje ook maar lekker spelen’.”

Spits Plucker: “Het was natuurlijk een enorme stimulans en met die ballen die zij gaven kon je meteen wat. Ik heb ook wel een paar keer op doel geschoten.”

 

En hoe speelde Cruijff? Henk de Weerd, smalend: “Meneer Cruijff, die dacht dat hij de God van de voetbalvelden was. Of ie dat ook was?...Ja. Die gast kon, net als Bobby Fischer tien zetten vooruit denken.”

Volgens middenvelder Smallegoor spaarde de aanvoerder zijn krachten voor zaterdag, maar droop de klasse er van af. “Cruijff kon alles, en…hij werd nóóit geraakt”

De Weerd: “Het leek wel of hij daarvoor een extra zintuig had.”

Spits Plucker: “Hij was niet mijn idool, maar je kon aan alles zien dat hij er bovenuit stak. En hij was zeer nadrukkelijk aanwezig.”

De Weerd: “Hij regelde alles. Terwijl hij zelf aan de bal was, liep hij zijn teamgenoot te coachen met handgebaren.” Smallegoor: “Hij kwam de bal ophalen bij Wim Rijsbergen, die keek net zo tegen hem op als wij. Michels liet dat ook toe.”

 

Met rust stond het slechts 1-0 (doelpunt Rensenbrink); uiteraard dankzij de hulptroepen van oranje. In de tweede helft moest Vaassen het zelf zien te redden. Terwijl de spelers hun benen los schudden voor de tweede helft, maakte Michels met een kort gebaar duidelijk dat de keepers moesten wisselen van doel: Van de Esschert mocht keepen in het Nederlands elftal! “Wat ik toen dacht? Ja poeh, dan sta je effe 45 minuten in oranje, met Cruijff en Van Hanegem.”

 

Vanuit de mooist denkbare positie kon hij zien hoe zijn arme teamgenoten onder de voet werden gelopen door een ontketend oranje. “Ik was blij dat ik niet in het veld stond, want die internationals vlogen er langs.” Henk de Weerd ontdekte dat zijn directe tegenstander René van de Kerkhof niet echt moe was van zijn straftraining. “Ik was toen heel snel, maar die middag heb ik vooral rugnummers gezien.”

 

Middenvelder Smallegoor miste nu de hulp van internationals en zijn tegenstander Van Hanegem was vervangen door Wim Jansen. “En die wás irritant,” zegt Smallegoor, “en Pleun Strik speelde ook heel hard. Zij knokten nog voor een basisplaats hè. Ik dacht, ‘dat kan ik ook’, maar toen werd ik meteen tot de orde geroepen. We hadden vooraf ook duidelijke instructies gekregen: we mochten de spelers niet beschadigen.”

De Weerd: “Slidings waren ook verboden.”

Smallegoor: “Ik wilde nog beter meedoen, maar ik was helemaal kapot.”

Het werd 9-0, Ruud Geels scoorde vier keer.

 

De Apeldoornse Courant berichtte de volgende dag uitvoerig over de oefenwedstrijd en schreef dat voor de Vaassen-spelers shirtjes klaar lagen. Dat lag iets anders, legt Gert Smallegoor uit. “Wij zijn na de wedstrijd naar hun kleedkamer gelopen, helemaal aan het andere eind van de gang en hebben gevraagd of we een shirt konden krijgen. Wim Jansen vond het niet goed, maar Van Hanegem en Keizer zeiden: ‘neem mee, joh.’ Ik had het shirt van Keizer geloof ik.”

Het was geen officieel oranje wedstrijdtricot, maar een wit trainingsshirt. Met een leeuw erop, dat wel.

 

Gezellig nababbelen was er trouwens niet bij. SV Vaassen kreeg nog een maaltijd aangeboden, maar die werd niet samen met de spelers van het Nederlands team genuttigd. De Weerd: “Ik had graag nog even aan Cruijff willen vragen hoe het in godsnaam zo gekomen was dat hij op zo’n niveau speelde en ik in de tweede klasse.”

 

Doodmoe maar gelukkig en trots keerden de amateurs ’s avonds terug naar Gelderland. “Ik kon niet lopen en heb die nacht heel slecht geslapen,” zegt Gert Smallegoor, “ik was doodop van de vele indrukken en van de wedstrijd.” Meester Gert: “De dag erna heb ik natuurlijk alles moeten vertellen aan de kinderen, in een kring.” Alle spelers van Vaassen werden uitgebreid verhoord door vrienden, familie en collega’s.

En dat Briljant Orange in de daaropvolgende weken de wereld in vervoering bracht, gaf de oefenwedstrijd met terugwerkende kracht nóg meer cachet. Smallegoor: “Toen ik het WK zag, dacht ik wel: ‘tsjonge, jonge, met die gasten hebben wij pas nog gespeeld.”

 

De kater na de verloren finale was enorm, maar de impact van dit Oranje dreunde nog lang na in de voetbalwereld. En nog vele jaren hebben de Vaassen-spelers op verjaardagen moeten en mogen vertellen over die ene oefenwedstrijd waar verder niemand bij mocht zijn.

Keeper Van de Esschert wordt in Vaassen nog steeds aangesproken met oud-international.

Henk de Weerd: “Het komt regelmatig weer even naar boven. Ik vind het leuk om in herinnering te houden. Maar als je de wedstrijden van nu ziet gaat het zoveel sneller, dat ik denk: ‘kon ik dat in ’74 niet bijhouden?’ Nou ja, het was wel een uniek team.”

Smallegoor: “Het beste Nederlands team aller tijden.”

Keeper Van de Esschert: “Een van de sterkste elftallen ooit.”

Het beste oranje ooit

 

Zonder discussie kan worden gesteld dat de amateurs van SV Vaassen mochten sparren met het beste Nederlands elftal aller tijden. Gecoacht door een van ’s werelds beste voetbalcoaches aller tijden.

 

De kern bestond uit de gouden Ajax-lichting (Suurbier, Haan, Krol, Neeskens, Rep en Cruijff). Ajax was na het vertrek van Cruijff weliswaar over zijn hoogtepunt heen, maar won op 16 januari 1974 nog wel even de Supercup door AC Milan met 6-0 te vernederen.

De oranje-selectie werd gecompleteerd de Feyenoorders Rijsbergen, Jansen, De Jong, Israel, Vos en Van Hanegem die in 1974 eerst de landstitel en op 29 mei de UEFA Cup wonnen.

 

Hoe hoog het niveau van het Nederlands voetbal destijds was blijkt ook uit het feit dat slechts één speler werd geselecteerd van FC Twente (Cees van Ierssel) dat in het seizoen 74-75 de finale van de UEFA Cup haalde. De selectie telde ook drie (wissel)spelers van PSV, dat in seizoen 74-75 in de halve finale van de Europacup 2 werd gestuit door Dinamo Kiev.

 

De oranje voetbalmachine van deze gouden lichting was helaas geen lang leven beschoren. Na de zomer werd nog even de WK-kater weggespoeld met een klinkende 5-1 op Zweden, maar in 1975 verschenen de eerste barstjes, de EK van 1976 werd een grote anticlimax en een jaar later (op 26 oktober) speelde Cruijff al zijn laatste interland.

Het shirtje heeft niemand meer (‘aan mijn zoon gegeven’ (Plucker), ‘zo vaak gedragen tot ie versleten was’ (Smallegoor) ‘ik zou het niet weten’(De Weerd), maar de herinnering verdwijnt nooit.

“Het hoogtepunt uit mijn voetballoopbaan,” zegt Henk de Weerd. De andere mannen knikken instemmend. Ze zijn nog best trots.

Middenvelder Smallegoor: “Dat die simpele boertjes van Vaassen met de grote jongens meededen.”

Spits Plucker: “Wat ik zo mooi vond is dat zij ons zo geweldig coachten. Want hoe groot ze ook waren, op het veld viel dat onderscheid was: daar ben je allemaal voetballer.”

 

(Gepubliceerd in de bijlage Cruijff60 van Panorama, 18 april 2007)

 

 

Kerstvakantie op Gran Canaria

 

De palmbomen naast het zwembad ruisen in de zwoele wind en als wij aanschuiven voor de lunch (‘Zullen we ook een klein flesje rosé nemen?’ ‘Hè ja, lekker.’) dobbert een kajuitboot met 85 Afrikanen op de Atlantische Oceaan, op weg naar ons vakantie-eiland.

 

Het is de laatste week van het jaar en we zijn een weekje all inclusive in hotel Eugenia Victoria op Gran Canaria. Net als honderden landgenoten die hele dagen doorbrengen op een strandstoel die soms al in de ochtendschemering is bemachtigd.

Voor wie het fenomeen all inclusive niet kent: je krijgt een geel armbandje en kan dan een week onbeperkt vreten en zuipen. Of vijf weken. Bij de zwembadbar kun je ook frikadellen bestellen, gewoon in het Nederlands.

Een aanzienlijk deel van de gasten zal de hotelaccommodatie deze week niet verlaten. Hoogstens om op breedbeeld De Wedstrijden te zien, honderd meter verderop in een Hollands café.

 

In Senegal, Gambia en Mauritanië is Gran Canaria al bijna net zo populair als in Nederland. Ze betalen minder (500-600 euro), maar krijgen dan ook geen geel armbandje. Ondanks de verscherpte kustbewaking bereikte een recordaantal van 31.125 indocumentados in 2006 de Canarische archipel.

Maar de enige Afrikanen die je in Playa del Inglés ziet zijn de prullariaverkopers op de boulevard. Zij hebben een tijdelijk visum.

 

Om als Afrikaan definitief tot de EU te worden toegelaten moet je juist géén identiteitspapieren hebben, waarschuwt een Senegalese website. Op deze plek wordt tot in detail beschreven hoe je zonder problemen het Europese territorium binnendringt. ‘In tegenstelling tot wat de Westerse pers u laat geloven is het risico zelfs nul als de veiligheidsnormen worden gerespecteerd.’

Dat hen een barre overtocht van 2000 km wacht die het afgelopen jaar aan zo’n zesduizend Afrikanen het leven heeft gekost, meldt de site niet. Als de vluchtelingen geluk hebben, zijn ze er binnen vijf dagen. Meestal duurt het langer.

 

Yvonne Aalbers, een Haagse die al 27 jaar op Gran Canaria woont, is vrijwilligster bij de afdeling van het Rode Kruis van Maspalomas die eerste hulp verleent aan de bootvluchtelingen. Ze heeft de golf dit jaar zien aanzwellen en mensonterende scènes gezien. Een baby die kort voor vertrek was geboren en tijdens de bootreis bezweek. ‘Ze nemen vaak alleen benzine en water mee; de rest is ballast. Soms duurt een reis wel zestien dagen. Overlevenden vertellen over vluchtelingen die de laatste vier dagen zeewater dronken, gek werden en overboord zijn gesprongen.’

 

Soms worden er dode lichamen meegenomen, meestal worden ze in de oceaan gegooid. ‘De kleren en ook de boten worden altijd meteen verbrand,’ zegt Aalbers. ‘Vanwege de bacteriën. De stank is natuurlijk enorm.’

 

In het volgestouwde magazijn spreidt Aalbers het overlevingspakket uit dat elke immigrant krijgt: water, kaakjes, een handdoek, twee onderbroeken, een paar sokken, twee shirts, een muts, een glimmend trainingspak. ‘Ze zijn onderkoeld, doorweekt en hebben vaak grote zweren omdat benzine en zout water een chemische reactie geeft. Het is heftig hoor. Maar ik kijk altijd naar de ogen: en die zijn dankbaar.’

 

Na de eerste hulp worden de vluchtelingen veertig dagen vastgehouden op het schiereiland La Isleta. Daarna worden ze naar Afrika teruggestuurd met het vliegtuig of naar het vasteland van Spanje vervoerd om daar in de illegaliteit te verdwijnen.

 

In de weldadige zon wandelen we terug naar de Hollandse enclave. Op onze etage is in een schilderijlijst een flyer gestoken van de Partij voor de Vrijheid (Groep Wilders). Een kwartslag naar links ligt de oceaan te schitteren. Een patrouillehelikopter zoeft voorbij. Ver weg, onzichtbaar nog, tuft een bootje met 85 gelukzoekers van wie er 82 op de eerste dag van het nieuwe jaar Gran Canaria levend bereiken.

(gepubliceerd in Vrij Nederland, 13 januari 2007)

In juni 2006 mocht ik met het Drugspastoraat Amsterdam mee naar Lourdes. De reportage, met Rudy in de hoofdrol, verscheen op 30 december 2006 in het Zaterdags Bijvoegsel van NRC Handelsblad. Hieronder staat de onverkorte versie, met extra foto's.

Verlossing, voor een week

Rudy mag mee naar Lourdes

 

Elk jaar gaat een touringcar ernstig met zieke drugsverslaafden naar het bedevaartsoord Lourdes. ‘Om ze de kans te geven –hoe klein ook- heil en heling te ervaren,’ zegt de organisator, het Drugspastoraat Amsterdam. Op reis met veelpleger Rudy, die door een vormfout toch nog mee kon. “Misschien was die heilige Bernadette wel gewoon schizofreen.”

 

Zaterdagochtend 6.45 uur. Aan de achterzijde van het Amstelstation wordt de touringcar van de firma Jan de Wit volgeladen met tassen en koffers. De regie is in handen van Nelly Versteeg, de kordate drugspastoor en deze week tevens reisleider. Deelnemers dribbelen zenuwachtig rond de bus.

 

Ruud Jurriaans (44) zit op de stoep, nog niet helemaal bij kennis. Geslapen had hij nauwelijks toen hij een uur geleden met een taxi werd opgehaald van sociaal pension Zuiderburg van het Leger des Heils.

Ruud gaat achter in de bus zitten en doet meteen zijn ogen dicht. De drugspastoor loopt door de bus om alle hoofden te tellen en spreekt daarna door de microfoon: “We spreken af dat we niet roken en geen bier drinken in de bus.” De bus mort.

“Kom op met de methadon!” roept iemand.

Een illegale Marokkaan vraagt of hij een lift kan krijgen naar België, maar wordt geweigerd.

 

Zonder meneer Pingel (een schizofrene Surinaamse man die per se op eigen houtje wilde komen) en twee deelneemsters die al te ziek zijn, begint de touringcar aan de reis van ongeveer achttien uur.

Rudy, op de heenreis.

 

Direct posteert Frank Verheijen (54), een in korte broek gestoken Lourdes-veteraan, zich in het gangpad en begint in een razend tempo broodjes te smeren. Verheijen werkt als Sociaal Psychiatrisch Verpleegkundige bij Jellinek/Mentrum, “maar deze week ben ik vooral facilitair bezig.” Hij levert de broodjes persoonlijk af bij ‘de cliënten’. Daarna komt hij langs met croissantjes, vruchtensap, partjes tomaat, plakken komkommer, een schaal drop, mandarijnen, honingkoekjes.

 

In het laadruim staan nog vijfentwintig dozen met eten en drinken, dat Verheijen de voorgaande twee maanden heeft ingeslagen. “Ik wil dat ze deze week niets te kort komen. Hé Rudy, wil jij een banaan?” Ruud neemt alles wat hem wordt aangeboden en propt het met zijn ogen dicht in zijn mond. Zo ziet de facilitair manager het graag. “Vorig jaar kwam een jongen met coke in zijn lijf in de bus. Die ging in het gangpad liggen en als ie wakker werd vroeg hij meteen om een broodje; hij heeft er op de heenreis zo’n veertig gegeten.”

 

De cocaïne is uitgewerkt, het wordt steeds stiller in de bus. “Ze kunnen nu hun slaap en voeding inhalen,” zegt Verheijen glimlachend. En van methadon word je ook slaperig.” “Je kunt het ook zo zien,” vervolgt Verheijen, “Amsterdam is voor één week van ruim twintig overlastgevers verlost. Saai is de reis meestal niet. We hebben elk jaar wel een ziekenhuisopname. Mensen die een overdosis nemen, in coma raken. Een paar jaar geleden had een deelnemer zelfmoord gepleegd. Twee dagen na zijn vermissing vonden ze hem met helikopters in een ravijn.”

 

Bij de eerste stop waggelen de deelnemers slaapdronken naar buiten. Ruud, die ondanks de hitte een gevoerde leren jas draagt, zit versuft op een muurtje. Op zijn been ligt een metalen asbakje, gevuld met methadonpillen. Hij duwt een pilletje met zijn duim tegen zijn boventanden in kleine stukjes.

Verderop staat Stanley, een rondbuikige oud-voetbalinternational van Suriname, tegen een muur te plassen, twee meter naast het terras waarop gepensioneerde reizigers hun ochtendkoffie nuttigen.

 

In de kiosk worden vooral halve liters bier ingeslagen; een deel wordt al op de parkeerplaats achterover geklokt. Ruud wil een sixpack mee de bus in nemen.

Drugspastoor Nelly steekt daar een stokje voor. “Rudy…we hadden afgesproken dat we niet in de bus drinken.”

“Ja maar straks drinken die anderen het op,” protesteert Ruud. Zijn stem is hees.

“Kijk Rudy, ik zet het hier in het ruim neer,” stelt de drugspastoor hem gerust. “Zie je? Dit is jouw bier.”

“Mag ik er hier nog wel één drinken?”

Dat mag.

Met twee slokken is het halveliterblik leeg.

 

Bij de volgende tussenstop, in Noord-Frankrijk, kijken medereizigers Ruud vuil aan. Ze zeggen dat hij drugs heeft gebruikt op het toilet. Afgaande op de sluimerstand waarin Ruud nog steeds verkeert, kan daar een kern van waarheid in zitten. Als hij een kwartier later terugkeert uit de tankshop heeft hij twee speelgoedauto’s bij zich. “Leuk hè? Die zijn voor mijn neefje van twee.”

 

Frank Verheijen verveelt zich een beetje. “Dit is net een bejaardenbus.” Alleen van Ruud verwacht hij problemen. “Hij kent zijn grenzen niet. Hij is schizofreen, hè.” Ruud mocht eigenlijk ook niet mee. Hij werd eind 2005 voor twee jaar vastgezet in een Inrichting voor Stelselmatige Daders (ISD). Door een vormfout kwam hij na een half jaar vervroegd vrij.

 

In een bomvol wegrestaurant, waar de overige bezoekers op hun paasbest zijn gekleed, deponeert Ruud zijn hele methadonvoorraad op tafel. Bert van der Laan, de boomlange en gemoedelijke medisch begeleider van het Leger des Heils, bekijkt het tafereel doodgemoedereerd. “Man, dat doe je toch niet in een restaurant,” sist de Surinamer André. Maar Ruud hoort hem niet, want er is een pilletje van tafel gerold. Op handen en knieën is hij onder de tafel op zoek. “Voor ons kan zo’n onschuldig ogend tabletje al dodelijk zijn,” vertelt Van der Laan. Nagenoeg alle deelnemers krijgen methadon –ter vervanging van heroïne. In zeer uiteenlopende doses.

 

“Hoeveel heb jij er eigenlijk op vandaag?” vraagt Marga, een ras-Amsterdamse die haar eigen tanden niet meer heeft maar heel graag lacht. “Van mij krijgt hij er 33,” zegt Van der Laan. “En hij heeft er nog een onbekend aantal uit een ander circuit, maar daar heb ik geen zicht op.” Rudy schraapt z’n keel: “Ik had er zelf nog een stuk of vijftig bij me.” De kreet van Marga die daarop volgt-“Zoveel!? Jezus!”- doet het getik van bestek op borden verstommen. Van der Laan heeft veel meegemaakt met verslaafden, maar hier schrikt hij toch van. “Rudy…dat zijn hoeveelheden waar de anderen niet meer van wakker worden.” Rudy haalt zijn schouders op en kijkt Marga met een verontschuldigende glimlach aan. Ze lacht schalks terug.

 

Na een urenlang oponthoud wegens een defecte achterdeur maakt de bus in het holst van de nacht nog één tussenstop. In het onbemande tankstation pikt Rudy een buitenformaat Batmanlolly. Maar vrijwilliger Wim Hilderink -die op zijn blote voeten al een tijdje ongemerkt vlak achter hem staat- zegt op strenge toon dat hij de lolly moet terugzetten. “Maar ik heb geen geld bij me,” werpt Rudy tegen. Toch zet hij Batman terug in het schap.

 

Ruim 24 uur na vertrek rijdt de bus dan Lourdes binnen. Om direct op een mensenmassa te stuiten. Uit alle straten en steegjes komen ze tevoorschijn: grijze mensen, met een geel sjaaltje om. Als de bus zich nog een paar keer klem rijdt, stapt Verheijen uit. Voor de bus uit rennend gidst hij de steeds onrustiger worden groep het centrum uit. Na vier nicotineloze uren kunnen de deelnemers eindelijk weer zware shag inhaleren. En de frisse buitenlucht van Cité Saint Pierre. Het lommerrijke complex dat speciaal is gebouwd voor de minderbedeelden en wordt gefinancierd en beheerd door vrijwilligers en pelgrims.

 

Ieder krijgt een eigen kamer; een luxe die de meeste daklozenpensionbewoners niet gewend zijn. Met een tevreden grijns gaat Rudy op bed zitten: “Mooi hoor.” Hij is ‘in het zicht’ geplaatst, pal tegenover de kamer van Verheijen, die kwartier maakt in de centrale hal. Op de tafel heeft hij eten en drinken uitgestald. En een grote schaal met suiker. De suikerinname van drugsgebruikers is olympisch, de gebitsklachten navenant. Ook legt hij (‘omdat ze wel eens iets vergeten’) scheermesjes, tandenborstels, slipjes, onderbroeken en wattenstaafjes neer. Bij de vrouwen zijn vooral de slipjes gewild.

 

Er wordt geluncht in de centrale zaal van Saint Pièrre die plaats biedt aan zeker vijfhonderd mensen. Twee lange rijen met minderbedeelden uit de hele wereld wachten geduldig op hun beurt. Het keukenpersoneel is gemiddeld minstens 65 jaar en zeer vriendelijk. De maaltijd is sober, maar de rode wijn valt in zeer goeden aarde bij de Amsterdammers. Het gaat er in als limonade. En je kunt een refill krijgen, ontdekt de groep al snel.

 

Tijdens het eten kan er ook worden gezongen. Een vrijwilligster komt dan langs met een draadloze microfoon en de uitstekende geluidsinstallatie zorgt ervoor dat de hele zaal kan meeluisteren. Zangkwaliteit is niet noodzakelijk en een tijdslimiet is er ook niet. Al zou een strenge Idols-jury hier volgens Marga niet misstaan. “Attenoje…wat een kippenhok,” zegt ze als een Frans groepje een christelijk lied aanheft. Ze laat er een aanstekelijke schaterlach op volgen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 Rudy -met twee hoofddeksels en een refill- en Andy in de eetzaal.

 

’s Middags mag de groep naar de film over het leven van Bernadette Soubirous. Het 14-jarige meisje dat in 1858 de Heilige maagd Maria zou hebben gezien in de grot van Massabielle. Een gebeurtenis met verstrekkende gevolgen. Tegenwoordig trekken jaarlijks zes miljoen pelgrims naar Lourdes dat nauwelijks 15.000 inwoners telt, maar na Parijs de meeste hotels van Frankrijk heeft: 248.

 

In La Salle Bernadette wordt het hele jaar dezelfde film vertoond. Drie keer per dag. De zachte stoelen in de bioscoop zijn zo comfortabel dat al snel het luide gesnurk van Andy in de hele zaal is te horen. Bernadette is een zoetgevooisde en traag voortkabbelende biopic. Als de zaallichten weer aangaan, wordt er vooral slaap uit ogen gewreven. Alleen Mark, die al dertig dagen clean is en al wat langer in de Heer, is diep onder de indruk. “Ik brak twee keer man.”

 

De Esplanade is het immense centrale plein dat elke dag volstroomt met kreupelen, dagjesmensen en zieken. Collones van rolstoelen en mobiele bedden –al dan niet voorzien van infuus- worden door vrijwilligers over het plein geduwd.

Marga en Rudy betreden het met brandende sigaret en worden direct aangeklampt door twee oude mannen in lichtgevende hesjes: de wachters. Zij wijzen naar het verbodsbord en schudden met hun hoofd. De peukjes worden buiten het hek opgerookt.

 

Het is dringen bij de bron waar Bernadette zich bijna 150 jaar geleden op advies van de Mariaverschijning aan laafde. Het modderige stroompje van toen is nu een hi-tech buizensysteem dat naar tientallen kranen op het plein leidt en 120.000 liter kraakhelder en heilzaam water per dag levert. Mensen staan in de rij met lege frisdrankflessen, jerrycans, maar vooral met lege Mariabeeldflesjes die even verderop in een van de tientallen souvenirwinkels zijn gekocht.

 

Nog langer is de rij voor de verschijningsgrot. Hier kunnen de pelgrims even ‘de zoom van het heilige raken’. Door de miljoenen handen die langs de wand van de grot zijn gewreven is het steen op schouderhoogte diep weggesleten.

 

“Rudy is een andere man geworden hè,” zegt vrijwilliger Wim Hilderink opgetogen. Dat geldt zeker voor zijn kleding: afgezien van de versleten schoenen heeft Rudy zijn junkiekostuum verruild voor een folkloristisch tenue. Zelfs zijn sokken en grote flaphoed zijn oranje.

En Rudy’s ogen zijn nagenoeg weer helemaal geopend. Als hij bij terugkeer in het paviljoen de lege rolstoelen ziet staan, blijken ze zelfs te kunnen twinkelen. Hij duwt een rolstoel de heuvel op om er even later met hoge snelheid en een grote grijns af te jakkeren. “Rudy, wil je dat alsjeblieft niet doen?” vraagt drugspastoor Nelly, “er zijn er al een paar kapot.”

Hij zal het niet meer doen. Vandaag.

 

 

 

De drugspastoor is bezig met het versturen van kaarten. “Wil jij er nog eentje sturen?” vraagt vrijwilliger Wim Hilderink.

“Ik heb niemand meer,” zegt Ruud. Zijn ouders leven niet meer en zijn broer overleed in de gevangenis.

 

“De laatste keer dat ik op vakantie was,” vertelt Ruud, “is alweer twintig jaar geleden. In Londen. Daar zou ik trouwen met een Ghanese. Voor 10.000 gulden. Maar dat is niet doorgegaan. Ze kwam niet opdagen. Ik heb nog wel de helft van het geld gekregen. Achteraf ben ik blij dat het niet door ging. Een vriend van mij kreeg er grote problemen mee, want die vrouwen komen in de prostitutie hè. Met een Sofi-nummer. En die vriend had een uitkering, maar die werd stopgezet omdat zijn vrouw werkte.”

 

Ruud begon met harddrugs op zijn veertiende. “Terwijl mijn oudere broer een paar jaar eerder aan een overdosis was overleden. Maar ik was heel nieuwsgierig: wat is dat dan waar hij zijn leven voor geeft? Ik dacht, net als iedereen: ‘ik gebruik een of twee keer en dan stop ik.’ Mooi niet dus.”                              

 

Ruud werd verslaafd, raakte besmet met hiv, leefde jarenlang op straat en heeft in drie decennia een dik dossier opgebouwd bij Justitie. “Ik nam veertig shots per dag: een halve gram coke, een halve gram heroïne. Dat kost kapitalen. In de tijd dat de digitale autoradio’s kwamen stal ik er zo veertig op een rij; van die Blaupunkts van f 800,-. Die verkocht ik voor f 100,- aan taxichauffeurs.”

 

“Ik ben een tijdje clean geweest, ik was zelfs van de methadon af –en dat is echt heel moeilijk. Maar ik raakte in een diep gat; ik had alleen nog vrienden die gebruikten. Ik was niet alleen verslaafd aan de drugs, maar ook aan de rituelen: het scoren, het gedoe met een zilverpapiertje en het pijpje, het roken. En ik kickte op de spanning. Ik heb wel eens een juwelier in de PC Hooftstraat beroofd, met een moker. Ik voelde me onaantastbaar.”

 

Ruud praat in de verleden tijd, maar gebruikt nog steeds.

“Ik moest voor twee jaar in de ISD, maar dankzij Peter Plasmann –die van Ali B, of ehh…Mohammed B- stond ik al na zeven maanden weer buiten.”

 

Door de afwezigheid van cocaïne slaat de vermoeidheid ’s avonds onverbiddelijk toe in de groep. Geruisloos verdwijnen de deelnemers een voor een naar hun kamers. Alleen Ruud en Marga hebben nog geen slaap.

“Het zou ook kunnen dat Bernadette gewoon schizofreen was,” zegt Ruud. “Dat wisten ze toen nog niet.”

“He Rudy, waarom ben jij nog niet heilig verklaard?” vraagt Frank Verheijen.

“Ik heb genoeg openbaringen gezien,” zegt Rudy, “vooral in het Vondelpark.”

Om 1.30 uur begint Verheijen de stoelen op te stapelen. “Het is nou wel weer mooi geweest; hup naar bed.”

 

De energieke leider oogt wat vermoeid, de volgende ochtend. “Om 5.00 uur stonden ze hier al aan mijn rolhor te rammelen: ‘ik wil bier!” Hij verstrekt de alcohol selectief. “Rudy en Jan hebben dat gewoon nodig, die krijgen af en toe een blik van ons. Aan die pillen hebben ze niet genoeg, die zijn alleen maar om niet ziek te worden.”

 

De hele groep zit een uur later in een grote kring in de ochtendzon voor een van de weinige verplichte activiteiten: het groepsgesprek. Drugspastoor Nelly leest een stuk uit de bijbel, dat veel los maakt.

“Dat vind ik wel te gek hoor van Jezus,” zegt Jordanees Nancy, “dat hij zo goed was voor de armen.”

De hele groep ervaart Lourdes als een warm bad. “De mensen zijn hier zo aardig. In Amsterdam word ik toch vaak als uitschot behandeld.”

 

Een kabeltreintje brengt de groep ’s middags naar een andere berg: de 948 meter hoge Pic du Jer. Voor het bereiken van de uitkijktoren op de top moet nog een stuk gelopen worden. De meesten gaan liever op het terras zitten. Winston, een 64-jarige oud-bokskampioen en oorlogsveteraan die geen moment kan stilzitten, gaat wel omhoog. Marga en Ruud ook, samen met straatpastores Mariska.

 

Terwijl Ruud met zijn verrekijker de Pyreneeën nader bekijkt bekent Marga dat ze van de laatste tien jaar acht jaar in de gevangenis heeft doorgebracht. “En je hebt zo’n engelengezichtje!” zegt Mariska. In 1995 werd Marga’s man ontvoerd. “Ik stond voor het raam te kijken toen hij in een auto werd getrokken. Ik heb hem nooit meer gezien. Hij zat wel in het criminele circuit hoor. Ik denk dat ze hem hebben vermoord. En al die jaren,” zegt ze met een knipoog, “heb ik geen sex meer gehad.”

Op de houten uitkijktoren geniet ze van het weidse uitzicht en de zwoele wind. “Oh, dan moet ik straks weer terug naar Gastenburgh,” zegt ze opeens met een beteuterd gezicht. “Daar heb ik heeelemaal geeeen zin in. Ik wil nu naar beneden.”

Ze schuifelt naar de trap. Ruud schiet meteen te hulp, geeft zijn arm en laat Marga het volgende kwartier niet meer los. Voetje voor voetje schrijden ze over het rotsachtige pad. Ze krijgen een daverend applaus van de terraszitters.

 

 

 

 

 

 Marga en Rudy genieten van de Pyreneeën.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Elke avond is er in Lourdes een lichtprocessie: een evenement dat duizenden mensen met kaarslampionnen op de been brengt. Volgens de lichtgevend hesjeszijn het er op deze drukke avond zeker twintigduizend. Om elkaar niet kwijt te raken heeft Nelly aan iedereen hetzelfde blauwe shirt gegeven. Voorop loopt vrijwilliger Wim Hilderink met een vaandel van de Petrus en Paulus Crypte Amsterdam. Stapvoets gaat het over de Esplanade terwijl de geloofsbelijdenis en Maria-hymnen uit duizenden kelen klinkt.

 

De corpulente Andy laat zich deze avond voortduwen door een van de bejaarde zusters, tot ergernis van de anderen. Ze trekken steeds openlijker zijn handicap in twijfel. Hoewel hij meestal met niet minder dan drie krukken loopt (‘die witte is een blindenstok’), voedt Andy die twijfel zelf door dan weer mét en het volgende moment zonder krukken te lopen. En het sprintje dat hij ’s middags inzette om de bus te kunnen halen, was zelfs ronduit indrukwekkend.

 

Ruud zou ook wel in een rolstoel willen zitten. Hij gaat even uitrusten tegen het muurtje, ziet een kaars liggen, steekt deze aan en zet ‘m in een plantenbak. “Voor mijn broertje,” fluistert hij. Zijn jongere broer is geestelijk en lichamelijk gehandicapt.

Tergend langzaam bewegen de blauwe shirts naar voren, waar de openluchtmis wordt gehouden. De rolstoelers mogen even vooraan plaatsnemen. Jacqueline is diep onder de indruk.

Hand in hand vinden de Amsterdammers in het gedrang de uitgang.

Uitgeteld zitten ze in de bus. Sommigen knikkebollend, een ander nog beduusd van de indrukken. “Die professie was wel mooi,” zegt Nancy, “maar het duurde veel te lang.”

  

 

Elke avond is er een lichtprocessie die duizenden op de been brengt (foto rechtsboven). Rudy is er even bij gaan zitten en ontbrandt een kaarsje voor zijn broer. 

 

 

Met luxe lunchpakketten en drie familieflessen zonnebrandcrème vertrekt de hele groep de volgende ochtend naar de Pyreneeën. Tijdens de picknick, op een grasveld naast een riviertje, werpt Ruud zich op als insmeerder van de vrouwenruggen. Hij geeft er ook een massage bij, maar drukt alle insinuaties meteen de kop in door er heel ernstig bij te kijken.

Oud-bokser Winston –die naar eigen zeggen ongeveer 28 kinderen heeft verwekt bij omstreeks acht vrouwen- gaat naast Ruud staan. “Kijk, hier zitten de borstjes, die moet je ook even doen hè.” Hij knijpt de tengere Julliette even in haar linkerborst en loopt meteen weer grijnzend door. “Hé! Ouwe snoeperd!” gilt ze. Winston kijkt ondeugend terug, wat weer vertedering opwekt bij de vrouwen. “Hij had mij gisteren ook al uitgenodigd om eens een wipje te maken,” zegt Julliette. “Hij zegt dat hij nog heel fit is.”

 

Voor de tocht per paard of ezel naar de gletsjer krijgt Andy van de Franse gids te horen dat hij is te zwaar is. Bemiddeling van de leiding haalt niets uit. Met tranen in zijn ogen beent Andy weg: “Ik vind het echt be-la-che-lijk! Moet je kijken wat zij zelf voor een dikke reet heeft.” Hij gaat terug naar het picknickveld, waar Margret en Jacqueline samen met Frank Verheijen op de spullen passen en biertjes drinken en sigaretten roken.

 

Ruud heeft zijn eigen paard al gevonden: een prachtig glanzend zwart exemplaar. Hij omhelst het en legt zijn wang op de warme hals. Het paard beantwoordt de liefkozing door op Ruuds voet te staan.

 

De dieren hebben zo vaak langs deze rivier gelopen dat ze het traject blind kunnen afleggen; de berijders hoeven niets te doen. De kudde van drugspastores Nelly is een bezienswaardigheid: de verslaafden zitten hoog te paard en worden voortdurend gefotografeerd en gefilmd door tientallen toeristen.

 

De zuivere berglucht, het magnifieke uitzicht en de warme zon brengen de deelnemers in een lome, gelukzalige stemming. “Hier word je bijna high van,” zegt Ruud.

 

’s Avonds tijdens de stafvergadering spreken de zeven begeleiders hun positieve verbazing uit over de groep. “Je zou bijna zeggen dat er nog iets moet gebeuren. Want dit is niet normaal,” zegt straatpastoor Mariska.

 

Dat gebeurt ook, de volgende ochtend, als de leiding even weg is. Maxim –een Oostenrijkse met één been- verdenkt Jacqueline en Ruud ervan bier te hebben gestolen uit de koelkast. De groep splijt plots in twee kampen. Marga neemt het voor de beschuldigden op en kijkt vuil naar Maxim. “En jij houdt al het geld voor jezelf, omdat je in Amsterdam bolletjes wil scoren! Je moet oppassen!”

Ze komt dreigend naar Maxim, die voor de zekerheid een kruk ter hand neemt. John, de rustige Surinamer, probeert de gemoederen te sussen. “Dames, dames, geen bier meer voor jullie. Straks wordt het nog vechten.”

 

“Die Marga is echt link hoor,” vertelt Maxim even later, met tranen in haar ogen. “Ze wilde me in Gastenburgh eens van de trap gooien.”

Marga: “Ze wilde genade omdat ze één been heeft. Nou, de volgende keer gooi ik haar eraf.”

 

Voor het uitje naar het meer moeten er weer rolstoelers omhoog geduwd worden; Ruud doet dat graag. “Dat vind ik zo leuk aan dit werk,” zegt Verheijen, “ik zit al dertig jaar in het vak en toch verrast Rudy mij. Hij kan hier eindelijk zichzelf zijn en hij blijkt een hartstikke sociale jongen te zijn. Wat ik alleen zo jammer vind: volgende week zit hij weer bij het Leger des Heils naar de tv te staren en herken ik hem niet meer.”

 

Als de bus arriveert bij het het Lac de Lourdes -al jarenlang een vast programmaonderdeel- blijkt dat het café met terras is afgebroken en met hekken afgezet. In het meer geldt een zwemverbod vanwege het afval. De waterfietsenexploitant is ook verdwenen. Maar vuil is een heel relatief begrip voor deze groep en Maxim is de eerste die het water in gaat. Met krukken en al.

De stemming is uitgelaten. Er wordt met ballen gegooid, zwemwedstrijdjes gehouden, gekaart, gepraat, geroddeld en gelachen. Maar als begeleidster Daniëlle tijdens het groepsgesprek het woord neemt wordt het muisstil: “Ik heb net een sms gekregen. Jolanda, die met ons mee zou gaan, is gisteren overleden.”

 

’s Avonds is het feest met de andere groepen van de Cité. Het is zo heet in de zaal dat Ruud al snel zijn hoofd op Andy’s schouder te rusten legt.

Alle groepen verzorgen een optreden. De Amsterdammers zingen, getooid met een boerinnenkap met oranje staartjes, een medley van Mokumse smartlappen. De samenzang laat te wensen over en Ruud –vijf seconden geleden nog in een diepe slaap- waggelt over het podium. Begeleid door een flauw applaus gaat de groep weer terug naar de zaal en hervat Ruud de slaap. Hij mist de groep zigeuners op badslippers die de show stelen met een vurige zanger die zichzelf op gitaar begeleidt en twee uitdagend dansende zigeunermeisjes.

 

Terug op het eigen terras voor het paviljoen drinkt Marga bier door een rietje. “Ik wil dronken worden, want ik wil met Ruud naar bed,” zegt ze terwijl ze hem lief aankijkt. Ruud wil daarover nog geen uitsluitsel geven.

 

Marga schenkt de drugspastores Nelly ook nog wat wijn bij.

“Héhé, niet zo veel,” zegt Nelly.

“Ah, kom op,” zegt Marga lachend, “geniet! Het is vakantie! Je ziet nooit pastoors dronken. Trouwens: God was de grootste alcoholist.” Ze spreidt haar armen theatraal: ‘Ik maak wijn van het water!’ Dat zei ie toch, Nelly?” De drugspastores glimlacht.

“Ik wil ook wel drugspastoraat worden,” vervolgt Marga. “Ik vind het geweldig hier.” Ze begint met haar ogen dicht te bidden: “Oh lieve God, laat het alsjeblieft geen vrijdag worden. Alsjeblieft. Ik wil hier niet weg.”

 

“Ik ben ook zo blij dat ik mee ben,” zegt Ruud, die onthult ook dat hij er op de heenreis niet helemaal bij was: “Dat die bus kapot was, dat heb ik helemaal gemist. Was dat na het eten?”

Nel, de bedachtzaamste van de groep komt met een echte onthulling: “Je hebt ‘m zelfs gesloopt.”

Ruuds mond valt open: “Huh…heb ik dat gedaan?”

 

De volgende dag is de Crypte-viering in de schaapskooi, een soort schuur waar het licht door twee kleine glas-in-loodraampjes binnen komt. De pastores Nelly en Mariska –beiden gekleed in een gewaad- leiden de speciale mis.

Ruud zit vooraan te knikkebollen op een driepotig krukje. Julliette schudt hem af en toe wakker wanneer hij dreigt om te vallen. Als Ruud ongeveer horizontaal voorover is gevouwen geeft Andy hem met het gele programmaboekje een tik op zijn hoofd. Met dichtgeknepen ogen en een waggelende tred verlaat Ruud de mis.

 

Hij mist een emotionele bijeenkomst. Er worden kaarsjes aangestoken voor dierbaren die het afgelopen jaar zijn gestorven. De namen van de doden worden hardop uitgesproken. Het gaat minutenlang door. De groep staat in een kring rond de kaarsen, veel vochtige ogen. Daarna omhelzen alle aanwezigen elkaar innig.

 

Vrijdag, direct na de lunch, rijdt de bus Lourdes uit. De terugreis verloopt nagenoeg rimpelloos. Op het eerste tankstation blijft Andy iets te lang op de wc en ziet hij nog net de touringcar uit het zicht verdwijnen. Nog geen vijf seconden later gaat de gsm van Mariska: aan de lijn een nogal opgewonden Andy. Met zwaaiende krukken begroet hij de bus. “Het is jouw schuld dat ik zo lang op de wc zat,” zegt hij tegen Frank Verheijen. “Jij dwong me gisteravond om zoveel vijgen te eten.”

 

Het is zeer stil in de bus. De onrust neemt wat toe als Nederland naderbij komt: het leven dringt zich weer op. De vakantie is voorbij, voor de meesten is het hun laatste vakantie.

 

De Rembrandtoren komt in zicht. Terwijl Ruud meezingt met De Vlieger van André Hazes wisselt hij, op het plateautje voor de wc, nog even van onderbroek. “Ahh, heerlijk, weer in Amsterdam,” verzucht Margreet. “Ik ga eerst een pijpje roken, daarna doe ik pas mijn ogen open.”

Op het Amstelstation wordt haastig afscheid genomen. Ruud neemt als een van de weinigen de moeite om alle begeleiders te bedanken. “Ik kom je nog een keer opzoeken,” zegt hij tegen Frank Verheijen.

In taxi’s worden de deelnemers naar de daklozenpensions gebracht. Terug naar het normale leven.

 

 

 

 

 

 

 

 

Picknick tijdens de terugreis.

 

 

(Naschrift:)

Twee maanden later, bij de reünie was Ruud afwezig. Hij zat in de Bijlmerbajes. Toen hij na vier weken weer vrij kwam was hij zijn slaapplaats in Zuiderburg kwijt. “Ik heb een nachtje in het park moeten slapen en een longontsteking opgelopen,” zegt Ruud. Zijn stem is broos. “Maar het gaat wel goed hoor.”

Na een verblijf in ziekenboeg De Aak, woont hij sinds kort weer in Zuiderburg, met twee kamergenoten op zestien vierkante meter. Zijn ogen glimmen: “Wat was het mooi hè, in Lourdes? Weet je: ik denk er nog elke dag aan terug.”

 

Sommige namen in dit verhaal zijn gefingeerd.

 

De deelnemers

Beginjaren negentig, toen de Aids-epidemie nog steeds een verwoestend spoor trok door de drugsscene, organiseerde het Drugspastoraat Amsterdam de eerste Lourdesreis. Het was uitsluitend voor drugsverslaafde aids-patiënten. ‘Om,’ zo staat in de interne notitie van het drugspastoraat, ‘ze de kans te geven –hoe klein ook- heil en heling te ervaren. Hiertoe geven we hen de gelegenheid om een week lang buiten de sfeer van hun dagelijkse beslommeringen en verslaving in contact te laten komen met elkaar en met het mysterie van Lourdes, de bedevaartsplaats bij uitstek die met pijn en ziekte is verbonden. Deelnemers leren elkaar en belangrijke elementen van de christelijke symbolen en traditie opnieuw kennen.’

De toelatingscriteria voor de reis zijn de laatste jaren wat versoepeld. Omdat de meeste gegadigden al een keer mee zijn geweest en de cliënten door aids-remmers tegenwoordig eerder sterven aan andere ziekten.

De twintig deelnemers kunnen gezamenlijk een flinke medische encyclopedie samenstellen: hepatitis A, B en C, HIV, longemfyseem, hersen- en hartinfarcten, hersenvliesontsteking, nieuwe hartkleppen, streptokokken en syfilis. Veel deelnemers hebben ook een psychische stoornis. “Het is goed te beseffen,” fluistert Verheijen, “dat bijna al deze mensen in hun jeugd ernstig zijn getraumatiseerd. Kindermisbruik komt heel veel voor.”

 

Vitaminetekorten, zelfverwaarlozing, de alles verwoestende drift om drugs te scoren, opgejaagd worden op straat, detentie, een ernstig verstoord dag en nacht ritme en een sociaal isolement. Verheijen: “In een daklozenpension wonen ze bij elkaar, maar eigenlijk zijn het allemaal eenlingen.”

 

 

 Margreet, Nancy, Rudy en op de voorgrond Moniek.