De mens achter de directeur/hoofdredacteur

Ik zou u hier natuurlijk kunnen wijsmaken dat ik al op jonge leeftijd schrijfambities koesterde. Maar het enige dat ik in mijn jeugd las waren stripboeken. Nou oké, ik vrat ze. Letterlijk. De hoekjes van de bladzijden scheurde ik af en stopte ik in mijn mond. Dat was geen zelfbedacht alternatief voor een boekenlegger, maar een tic. Tegenwoordig zit ik tijdens het lezen meestal aan mijn hoofdhaar te plukken.

Nadat vader Cor ons in de donkere jaren tachtig had verboden ook bollenkweker te worden, overwoog ik lange tijd voetballer te worden. Dat hield ik nog vrij lang vol, tot mijn zeventiende. Maar een uitblinkende rol in de jeugdteams van ZAP én diverse wedstrijden voor de schaduwselectie van Noord Holland bleken geen opmaat voor een glansrijke profcarrière. Ook al zouden Jerrel Hasselbaink, Oswald Snip en Miel Rozendaal, eveneens vaste krachten van de schaduwselectie, jaren later het tegendeel bewijzen.

Daarna ging ik -net als mijn broer- naar het CIOS, een MBO die sportleiders opleidt. Maar ik wilde geen sportleider worden. Ik ontdekte al snel dat voor een groep staan en die op didactisch verantwoorde wijze iets aanleren niks voor mij was. Al wist ik dat eigenlijk al na mijn eerste spreekbeurt op de lagere school. Omdat ik als boerenzoon ben opgevoed met het juiste arbeidsethos, het liefst de hele dag sportte (hoefde je niet zo veel na te denken) en ik niet wist wat ik wél wilde worden, voltooide ik toch de opleiding. En zo pakte ik ook nog mooi stages mee op Sportschool Aarts (als callanetics-instructeur) en bij de recreatiestichting Texel (in het hoogseizoen toeristen vermaken en in het laagseizoen dingen doen (die niet meer zijn te reconstrueren) aan een bureau op het Gemeentehuis in Den Burg). Ervaringen, kortom, waar ik de rest van mijn leven profijt van zou hebben. Aan het CIOS heb ik ook nog een vriend over gehouden.

Omdat volgens het toenmalige ministerie van onderwijs deze drie jaren op het MBO niet meetelden voor mijn studiebeurs (al beurde ik vreemd genoeg wel een studiefinanciering) kon ik vervolgens ook nog een echte studie gaan doen. Bijkomend voordeel was dat ik ook nog niet mijn dienstplicht hoefde te vervullen. Omdat ik zo veelzijdig ben twijfelde ik tussen de lerarenopleiding Biologie, Aardrijkskunde (al kan het ook Maatschappijleer zijn geweest) of de School voor Journalistiek.

Het was CIOS-docent Frans Jansen die mij motiveerde om journalistiek te gaan doen. Het was hem ook duidelijk dat het lesgeven mij weinig vreugde zou schenken en hij was nogal gecharmeerd van mijn verslag van een survivalkamp.

Ik schreef ook al voor een snowboardblaadje. Dat ging goed samen met mijn toenmalige verslaving aan het snow- en skateboarden. Een verslaving waarvan ik op heel natuurlijke wijze genas; mijn lichaam was na honderden valpartijen min of meer kapot. Bij nader inzien zijn het waarschijnlijk ook meer valpartijen geweest.

 

Natuurlijk heb ik mij later ook wel eens afgevraagd waarom ik mijn lijf in zo’n korte tijd de vernieling in moest helpen. Maar eerlijk gezegd heb ik er minder spijt van dan van die duizenden uren die ik in ledigheid voor de tv heb doorgebracht. En ik heb toch maar mooi een keer het O’Neill snowboardfestival in Huizen gewonnen, met een voorwaartse salto over een auto. Een onbedoelde salto weliswaar en de landing op de rug (op de nogal massieve ondergrond) had fraaier en zachtzinniger gekund, maar de prijs (een grote klok) gaat elke verhuizing mee en doet het nog steeds.

 

Ik heb mij ook wel eens afgevraagd wat er van mij zou zijn geworden als ik níet was ingeloot voor de School voor de Journalistiek (SVJ) in Utrecht. Misschien wel leraar Biologie op een middelbare school. Ik sluit niet uit dat ik dan ook een voltijds baarddrager zou zijn. Er was zelfs een kans geweest dat ik dan ook de liefde van mijn leven had ontmoet.

 

Maar goed, ik werd dus ingeloot. Mijn sportbril –met oogkleppen- ging af en voor mij openbaarde zich een weidse horizon. Ik kan hier vrij zuur gaan doen over de SVJ, maar voor mij is zij synoniem voor een nieuw leven. Veel rijker dan ik ooit had gedacht. Mijn creativiteit werd aangesproken, ik ontmoette interessante mensen (ook veel mensen die zich heel interessant voordeden) en de journalistiek bleek mijn fort.

 

Een stage bij de Schager Courant gaf mij het definitieve duwtje. Het klinkt niet zo enerverend, maar ik had mij geen betere plek kunnen wensen dan op de achtkoppige redactie van Rensgars 3. Ik kreeg veel vrijheid, mocht mee naar een grote brand, nieuwsberichten, reportages, interviews schrijven en daarbij mijn eigen stijl ontwikkelen, vergat de geleende auto van de chef op de handrem te zetten nadat ik ‘m op een schuin talud tegenover de kerk had geparkeerd. En elke vrijdagmiddag kwam collega Piet met een tasje halve literblikken aanzetten, gingen de voeten op de bureau’s en kwamen de anekdotes. Soms ook op donderdag trouwens, of op een andere doordeweekse middag als iemand daar zin in had. Het clichébeeld van de slonzige journalist werd volledig bewaarheid en God, wat hield ik ervan.

 

Resumerend: wat een onvoorstelbaar kleurrijke verzameling journalisten was dat daar eigenlijk. Een corpulente, kalende kamper (met staartje) die altijd op reportage was met zijn oude Mercedes en terugkwam met ellenlange en onleesbare verhalen; een oud-militair die zo kort en krachtig schreef zoals hij ook de wereld in goed en kwaad verdeelde; de jonge en talentvolle maar ook wat laconieke verslaggever die eigenlijk wel tevreden was met zijn standplaats Schagen; de intelligente sarcast die naar eigen zeggen tot de hogere kaste van de centrale redactie in Alkmaar behoorde en tegen zijn zin voor onbepaalde tijd bij de regioredactie was gestationeerd; de al wat uitgedijde en uitgezakte maar nog jonge vrouw die graag human interest verhalen schreef, haar status van alleenstaande niet verbloemde en bij vlagen behoorlijk hysterisch werd; de overambitieuze jongeling die zijn vak zeer serieus nam (volgens de anderen veel te serieus), elke dag uitgebreid de Volkskrant las en daar ook ooit voor zou gaan werken; en de vrouwelijke chef die de hele dag rookte, dol was op koeien en dit zootje ongeregeld volledig zijn gang liet gaan.

Als ik dit als scriptschrijver had bedacht voor een tv-serie, dan zou ik door alle critici tot de grond toe worden afgebrand wegens overmatig gebruik van clichés en het karikaturiseren van de personages. Maar als ik er nu aan terugdenk word ik weer vrolijk. Als een omroep nog interesse heeft, svp melden bij de hoofdredacteur.

 

Een tweede allesbepalende plek was Het Parool, in de laatste jaren van het millennium. Ik had het geluk -nadat ik dat eerst had afgedwongen door met een goed achtergrondverhaal te debuteren- dat ik terecht kwam in een uitermate bevlogen groep sportverslaggevers, onderwie Marije Randewijk (winnaar Hard Gras-prijs 2005), Erik Brouwer (winnaar Hard Gras-prijs 2007), Arthur van den Boogaard, Vanno Jobse, Rim Voorhaar, Peter Hoomans. Elke maandag en zaterdag probeerden we het mooiste sportverhaal te schrijven. Dat lijkt heel kinderachtig en dat is het ook. Punt.

Maar toen is er wel een Parooltoon in mijn verhalen gesleten. Die toon is een beetje pretentieus, wil ziekelijk origineel zijn en schurkt opzichtig tegen de literatuur aan. Sous-chef Berry Brinkhorst (tevens begeleider van dit stelletje would-be literatoren) riep rond middernacht regelmatig: “Jongens jullie zijn godverdomme geen roman aan het schrijven!” Dat waren we dus godverdomme wel aan het doen!

Maar eigenlijk is die toon niet uit te leggen. Misschien moet je daarvoor de verhalen of boeken van bovengenoemde mensen lezen.

 

Op een gegeven moment kwam ik zelfs in dienst van Het Parool. Dat betekende in willekeurige volgorde: een hoger en vast salaris, ochtenddiensten draaien (aanvang 7.00 uur), een heuse portefeuille (schaatsen, atletiek) en grote toernooien in het buitenland verslaan, een officiële perskaart, een plaats in de NSP-gids en nog meer respect van mijn omgeving. Die ochtenddiensten op een krant zijn overigens tegennatuurlijk. In de bollen werken vanaf 7.00 uur kan ik best, maar als een razende een krantenpagina maken (zo’n ouderwetse grote die NRC/H nog uitgeeft) is de hel. Vooral als de vervaarlijke Albert de Lange eist dat je ook nog achter nieuws aangaat dat op zo'n verschrikkelijke ochtend in het AD of De Telegraaf heeft gestaan.

 

De ontslagronde in 2003 had dan ook gerust enige positieve gevolgen. Bovendien werd ik een vrij man. Dat ben ik nu nog steeds. En het voelt goed.