|
Waanzin en wederopstanding, waarheid und dichtung
(Fragment (middenste deel) uit verhaal voor de bundel Halve finale EK '88 West Duitsland-Nederland)
Om de grote spanningen te kanaliseren had Van Breukelen een vast ritueel voor elke wedstrijd. “Vlak voor de wedstrijd ga ik altijd poepen, boekje lezen, de warming-up doen en daarna plassen. Een andere volgorde is er niet,” zei hij in zijn autobiografie Het Engeltje. Deze handelingen gaven hem houvast, zekerheid.
En dus geschiedde het ook zo in het Volksparkstadion. Hij pakte een boekje uit zijn tas en toog naar de wc. Niet in de doucheruimte, daar werd alleen in geürineerd. Het toilet op de gang, tegenover de kleedkamer, was echter bezet. Hij had geen zin in wachten en liep verder. Door de catacomben, op zoek naar een ander toilet. Het getik van de schroefnoppen van zijn WorldCups maakte hem onrustig.
Hij opende de deur van een ander toilet en zag toen pas dat er al iemand in stond. Een grijzende man met een terugtrekkende haargrens. De man had niets in de gaten. Dat was niet zo vreemd, want hij gooide als een bezetene water in zijn gezicht, wreef over zijn gesloten ogen en sloeg met beide handen op zijn wangen. Van Breukelen stond aan de grond genageld, zijn verbijsterde blik daalde af naar de witte kraag, zwarte polo en toen pas zag hij het borstzakje met het UEFA-embleem: het was scheidsrechter Ion Igna.
Igna, al jaren vrijgezel, was vergeten de deur op slot te doen. Toen hij de kraan dichtdraaide en zijn ogen opende keek hij recht in het langwerpige en lijkwitte gezicht van Hans van Breukelen. Hij slaakte een gilletje. De laatste keer dat Ingna zo schrok was toen hij een zware boodschappentas op de keukentafel zette van zijn appartement in Boekarest en pas daarna de agent van de Securitate opmerkte.
“Entschuldigung!” verontschuldigde Van Breukelen zich van de schrik in het Duits. En omdat hij alweer drie weken in Duitsland vertoefde.
De scheidsrechter zei niets en trok met een verwijtend gebaar de deur weer dicht.
Beduusd liep Van Breukelen verder. Dieper de gang in. Daar vond hij eindelijk een vacante wc. Dit was de enige plek waar hij misschien weer tot zichzelf kon komen. De keeper nestelde zich op de zwarte bril. Maar hoeveel kracht hij ook zette, het lukte niet. Zijn hele lijf was gespannen, dus ook de externe Sphincter -de buitenste sluitspier.Hij sloot zijn ogen en concentreerde zich nu op het rijtje van Troost: de spierspanning loslaten, ademhaling naar de buik laten zakken. Probeer weer contact krijgen met de stoel waarop je zit en de omgeving.
Maar hij voelde nog steeds niets. De Breuk zuchtte en keek naar zijn boekje. Het was het boekenweekgeschenk van dat jaar, Een overtollig mens van Maarten Biesheuvel. Op de omslag stond een tekening van een blonde man (op de rug gezien) die door een kat wordt omhelsd. De kat keek Van Breukelen aan. Het beestje had geen pootjes, maar handen.
Zijn vrouw Karen was een echte boekenwurm en had hem enthousiast gemaakt voor de literatuur. Daar pochte Van Breukelen soms over, maar opscheppen over je belezenheid had in de voetbalwereld eerder een averechts effect. Al was hij als ex-student aan de Pedagogisch Akademie toch al een vreemde vogel. Wanneer je het boek De ontvoering van Alfred Heineken van Peter R de Vries buiten beschouwing liet dan was hij de enige speler in de oranje-selectie die boeken las. Althans, de enige die daar openlijk voor uit kwam.
Zijn kamergenoot Joop Hiele had heel vluchtig naar het boekenweekgeschenk gekeken en er de verwachte stekelige opmerking bij gemaakt. “Gaat dat over jou, neus?”
“Nee, Joop, dat is nou literatuur.”
Toch zat Hiele er niet eens zo ver naast. In deze verhalenbundel willen de hoofdpersonen graag iets bereiken, maar dit wordt in alle gevallen door iets of iemand belemmerd. Dit creëert een eenzaamheidsgevoel bij deze personen.
‘En het tweede verhaal,’ had zijn vrouw met een vilein glimlachje gezegd, ‘gaat over een Hans en het speelt in Duitsland.’
Dat was de goden verzoeken, vond De Breuk, dus begon hij op de eerste bladzijde. ‘Er zijn mensen op de wereld die er droevig aan toe zijn, er zijn van die figuren die helemaal naast de maatschappij staan, ellendige eenlingen die huilen in bed voor het slapen gaan, juist zij hebben een beetje liefde meer dan wie ook nodig, maar ze krijgen het niet.’
Had hij een jaar geleden, vóór zijn ontmoeting met Troost, deze zin gelezen dan had hij de woorden op zichzelf geprojecteerd en waren zijn grijsblauwe ogen volgelopen. Van verdriet en woede. “Ted Troost kwam tot de conclusie dat mijn agressiviteit voortkomt uit mijn jeugd,” zei Van Breukelen in Het Engeltje. “Ik wil als het ware gekwetst worden.”
Dat klonk onlogisch voor iemand die zo’n zucht naar erkenning en waardering had. Maar voor de doelman was het juist een bevestiging van wat hij jaren eerder had gehoord van de kraamhulp die betrokken was bij de geboorte van zijn zoon Kjeld. “Zij geloofde in vorige levens en kwam met het verhaal dat ik in mijn vorige levens mensen ontzettend gekwetst had en dat ik erop moest rekenen dat ik zelf net zo gekwetst zou worden.”
En wat een ellende had hij daarna over zich heen gekregen. “Er zijn later inderdaad dingen gebeurd waarbij ik gekwetst ben. Door mijn houding of door sportieve fouten. Maar juist doordat ik van tevoren wist dat het zou gaan gebeuren, kon ik dat makkelijker verwerken.” Vooral dankzij Troost. “Ted heeft me geleerd te relativeren, heeft me geleerd mijn fouten te erkennen. ‘Je moet met jezelf leren leven,’ hield Ted me voor, en dat is me gelukt.”
Maar wat Troost vandaag niet was gelukt, daarin slaagde Biesheuvel wel met zijn absurde verhaal over Johan Knipperling. De tragikomedie werkte op de lachspieren van de doelman. Ongemerkt zakte de ademhaling naar zijn buik, kreeg hij weer contact met de bril en werd hij één met de ruimte. De spanning van de afgelopen dagen vloeide als vanzelf uit zijn lichaam.
|