De monomaan

 

Een willekeurige vroege ochtend in 1955. De brede klinkerweg die het Museumplein in tweeën sneed, was leeg. Uit de hoge lantaarns met sierboog kwam nog licht. Het enige dat je hoorde was gekwetter van vogels en de doffe stuiters van een zware bal. Op het betonnen sportveld trainde een veertienjarige jongen voor zichzelf.

 

Amsterdam begon te ontwaken. In de verte klonk de bel van de eerste tram. Kaarsrechte heren in grijs pak met vilthoed op waren onderweg naar hun betrekking en keken vanaf hun rijwiel naar de eenling op het pleintje. Een enkele nieuwsgierige stapte even af.

 

De jongen keek ernstig, alsof hij aan het werk was. Basketbal als lopende bandarbeid: drie keer stuiten en schiet. Snel de bal ophalen en opnieuw. Een eindeloze herhaling en in zijn hoofd continu de stem van zijn strenge alter ego, coach Boot: Concentreren! Concentreren! Fixeer op de basket. Gebogen knieën, bal omhoog brengen met beide armen, ligt goed in de hand, nu knieën strekken, elleboog strekken, en schiet. Blijf naar de basket kijken – niet naar de bal, wijs de bal na. En nog een keer, kom op! Sneller!

De jongen sloeg geen acht op zijn omgeving en had alleen oog voor de bal en de ring.

 

Sinds de basketbalvelden twee jaar geleden waren aangelegd, was hij hier elke dag te vinden. Hij trainde ook veel bij zijn huis, op het pleintje van de Dongeschool, maar op het Museumplein waren meer toeschouwers.

 

De lichtgetinte en opvallend frêle jongen was in korte tijd uitgegroeid tot een bezienswaardigheid in het schoolbasketbal. Een exotische attractie die extra publiek trok en bij wie mensen in de buurt wilden zijn. ‘Een fenomeen. De Johan Cruijff van het basketbal,’ zegt Lyda Becker, die in de jaren vijftig net als Boot ook in de jeugd van DED speelde. ‘Iedereen ging kijken als hij speelde. De organisatie van het herfst- of kersttoernooi plande zijn wedstrijden op het eerste veld. Ton vond het heerlijk om op te vallen met basketballen. Hij was heel aanwezig en iedereen hing om hem heen. Ook veel meiden. Dat interesseerde Tonnie verder niks. Hij deed zijn eigen ding.’