III In het bestuur

‘Wij zijn geen goden, niemand is perfect, we zijn allemaal aan het leren’ (de vice-voorzitter is een realist)

 

 

Het is op de eerste vrijdagavond van september als ik terloops in het bestuur wordt gemanoeuvreerd. Ze hebben me uitgenodigd om een bestuursvergadering bij te wonen. Ik heb even getwijfeld en overlegd (op de krant vrezen ze dat ik mijn onafhankelijke kwijtraak), maar als ik Chabab echt wil doorgronden, dan is de bestuurskamer een must.

Om mijn status van fly-on-the-wall niet meteen te grabbel te gooien, probeer ik zo onopvallend mogelijk in een hoekje van de bestuurskamer aantekeningen te maken. Maar dat is best moeilijk in een ruimte van twee bij drie meter, met in het midden een tafel van twee bij 1,20 meter.

 

Ik ben niet de enige Nederlander, zie ik tot mijn verrassing. De nieuwe secretaris, Frank, heeft ook overduidelijk geen Marokkaanse achtergrond. Frank is een door de wol geverfde Amsterdamse clubman die al in het bestuur van DWS zit en op verzoek van Chabab ook in dit bestuur heeft plaats genomen.

 

De vergadering lijkt meer op een spoedbijeenkomst. Er is dan ook een zekere urgentie: over iets meer dan twaalf uur begint de competitie. Hoogste tijd om te inventariseren hoeveel teams er überhaupt zijn en wie welke functie bekleedt. Bij mijn vorige clubs was dit meestal maanden van tevoren al bekend.

 

Alle bestuursleden, trainers en leiders zijn vanavond bijeengeroepen; het is dringen in de piepkleine controllroom van Chabab.

Charly de voorzitter is er niet, ik heb hem dit seizoen nog steeds niet ontmoet, maar hij is gesignaleerd. Charly schijnt zo-even in gezelschap van enkele medesponsors schielijk de bestuurskamer te hebben verlaten. Na een langdurige, maar succesvolle bespreking. Dat is de reden dat deze bijeenkomst pas veel later kan beginnen. De prioriteiten zijn duidelijk bij Chabab.

 

Het is Hassan, de vice-voorzitter, die de vergadering leidt. En dat doet hij met verve. De vice-voorzitter is een man van imposante afmetingen, maar met een zeer verfijnd –bij vlagen ambtelijk- taalgebruik. Dat contrasteert soms prachtig met de gespreksstof. Na het welwillend aanhoren van de klachten van de leider van het derde team -‘als wij spelen is er nooit een scheidsrechter en een bestuurslid om de formulieren in te vullen’- antwoordt Hassan:  “uw klachten zijn gehoord, we gaan ons best doen, al kan ik nog niets garanderen.”

Mooi is ook zijn interceptie tijdens een zeer verhitte discussie. “Heren..heren!” roept hij luid. En dan bijna fluisterend: “sorry dat ik interrumpeer, maar de thee is op.” Waarna snel een nieuwe sierlijke pot muntthee wordt geregeld en de discussie weer wordt hervat.

 

Als ik de vergadering in twee woorden moet karakteriseren, dan zijn het voortvarend en luidruchtig. Hassan: “Is de bus voor het eerste geregeld?” Abbas, bestuurslid met het fysiek van een worstelaar en werkzaam in de vervoersbranche (hij is taxichauffeur), knikt. “Moet er nog wat geregeld worden?..Het ontbijt?” Habib, jarenlang werkzaam in de horeca, belooft dat hij dat zal regelen: “Om 10.30 uur staat het gereed.”

Dan ontstaat er een discussie, maar ik weet niet precies waarover. Lopen de gemoederen eenmaal hoog op bij Chabab, en dat is al vrij snel, dan schakelt men automatisch over op de Arabische taal. Frank vraagt of er Nederlands kan worden gesproken. Tevergeefs.

 

Als na een minuut of drie de mij en Frank onbekende discussie nog steeds gaande is, vraagt trainer Najib het woord.

“Sorry dat ik onderbreek, maar dit is dus een vergadering?”

De vice-voorzitter knikt.

“Ik had dat graag eerder willen horen, ik wist van niks.”

Hier wordt door anderen op ingehaakt, zodat een nieuwe discussie ontstaat. Mensen gaan steeds luider praten en staan soms ook op om hun woorden kracht bij te zetten.

Blijkbaar kunnen ze buiten ook meegenieten door het geopende raam. Er wordt iets geroepen door een paar jeugdspelers. Abbas steekt zijn hoofd door het raam: “We zijn aan het vergaderen. Oprotten!”

 

De vice-voorzitter roept iedereen tot de orde.

“Moet er nog wat geregeld worden?” vraagt hij aan Najib. “Ik begrijp dat je ook nog geen keeperstrainer hebt?”

Najib lacht ironisch: “Ik heb niet eens een reservekeeper.”

Er zal naar beiden worden gezocht, belooft de vice-voorzitter.

 

De bestuurskamer wordt gaandeweg steeds voller. Dat is gunstig voor de club -het betekent immers dat zich meer mensen voor Chabab willen inzetten- maar het gevolg is ook dat er al snel geen zitplaatsen meer zijn. Er is simpelweg geen ruimte meer voor andere stoelen.

Een man van middelbare leeftijd met een vriendelijk gezicht komt naast mij staan. Ik heb hem al vaak bij de trainingen gezien en nu weet ik ook dat hij Larbi heet. Ik schud hem de hand en vraag wat hij voor de club doet. Larbi heeft geen functie bij de club, maar was vroeger sterspeler en later penningmeester, dus eigenlijk hoort hij nog steeds bij het bestuur. Hij is in ieder geval belangrijk genoeg om hier aanwezig te mogen zijn. Al was het alleen maar omdat hij ooit de clubnaam heeft bedacht.

Mijn onschuldige vraag heeft Larbi echter aan het denken gezet. Hij wil toch liever niet functieloos zijn. “Ik ben manager van Chabab,” zegt hij even later triomfantelijk. “Dat is goed, die hebben we ook nodig,” lacht zijn buurman die een aantal tanden mist en ook geen duidelijke functie bekleedt.

 

Najib beklaagt zich ondertussen over de selectie die is aangezwollen tot onhandelbare omvang, een mannetje of veertig. En zij groeit nog steeds. “Daar moet een einde aan komen, want zo kan ik niet werken.”

Hassan herneemt het woord: “Er is een overvloed aan spelers. Wat doe je daaraan? Hoe raak je die kwijt? Want Najib moet gaan presteren.” Hij denkt even na: “Jullie moeten de groep inventariseren.”

Najib en zijn assistent Hadra protesteren: “Dat is ondoenlijk. Elke training komen er jongens naar mij toe die zeggen dat ze van het bestuur mogen meetrainen.”

Hassan weet het goed gemaakt: “Als er een nieuwe speler komt, dan moeten jullie hem naar mij toe sturen.”

Abbas wil benadrukken dat je spelers niet te snel moet wegsturen. “Elk jaar komen er in het begin veertig spelers en over een paar maanden is het winter en heb je er nog twintig over.”

 

Dan neemt Marrakchi, de trainer van vorig seizoen, het woord. Als hij zijn mond opent, worden de anderen vanzelf stil, vooral ook in de hoop dat hij dan iets zachter gaat praten. Marrakchi is gezegend met een stem die een bereik heeft van meerdere voetbalvelden. Hij heeft een andere oplossing: “Maak van die overgebleven spelers een zaterdag-1.”

Dit leidt tot een nieuwe discussie, waarin af en toe een Nederlandse term klinkt. Dat gaat ongeveer zo: ‘hé…woeld…gamlagklgn…KNVB…. Ehbs…lewwel…akwa…Zaterdag-1…wahed sana…discipline…dssha…oehwa!...glekwoeaggg!’

Frank heeft er genoeg van en vraagt nu op hoge toon dat er Nederlands wordt gesproken.

“Waarom?” reageert manager Larbi fel. “Dit is een Marokkaanse club!”

Niet iedereen is het met de manager eens, dus vangt een nieuwe discussie aan.

Gespreksleider Hassan sust de gemoederen: “Probeer rekening te houden met Frank en Igor. Zij zijn de Arabische taal niet machtig.” Larbi, nog hevig verontwaardigd, fluistert iets tegen zijn buurman. Hassan –jarenlang werkzaam als beëdigd tolk- richt zich nog even tot de twee Hollanders: “Neem het ons niet kwalijk. Als het nodig is zal ik af en toe vertalen, oké?”

 

We krijgen een intermezzo. De jonge Hafid, de linksbuiten die mij zo bekoorde met zijn onnavolgbare spel, wordt binnen genood. Hij doet zijn verhaal in het Arabisch. Hassan vertaalt. Hafid is ontevreden en wil weg bij Chabab. Habib had hem namelijk beloofd dat hij bij de selectie zou komen, maar Hafid moet vooralsnog met het tweede meedoen. Najib legt Hafid uit dat hij de jeugd juist graag speeltijd geeft en als hij inzet toont, zijn kans vanzelf komt. Hafid is niet overtuigd en wil toch weg. En Habib voelt zich zichtbaar erg bezwaard. Hij heeft veel moeite gedaan om de jonge Hafid bij Chabab te houden. Diverse clubs wilden hem hebben. Habib pakt Hafid bij zijn schouders, als ware het zijn zoon: “Niet weggaan. Alsjeblieft. Het komt wel goed.” Hafid knikt beleefd en druipt af.

Trainer Najib verlaat ook de bestuurskamer.

 

Hassan schraapt zijn keel: “En dan nu…de jeugd: het allerbelangrijkste. Onze strategie is toewerken naar de maatstaven en normen van de moderne voetballerij.” Trainer Mimoun hoort de volzin aan en maakt een afkeurende grimas. Dat kan hij heel goed met zijn expressieve gezicht. Mimoun had al tegen mij gefluisterd dat de jeugd bij Chabab geen enkele prioriteit heeft. Mimoun was vorig jaar assistent-trainer van het eerste en heeft dit seizoen geen team. Maar ik geloof dat hij ook bestuurslid is.

 

Hassan stelt de hamvraag. “Zijn er genoeg A-junioren?” Habib zucht eens hardop en laat nogmaals weten dat hij het niet verstandig vindt dat Chabab dit seizoen weer met A-junioren speelt, vanwege alle problemen van vorig jaar. Hij is blijkbaar de enige die zijn twijfels heeft en als eenmaal duidelijk wordt dat Chabab dit jaar toch weer met A-junioren gaat spelen, houdt Habib daarna zijn mond.

Jeugdspelers zijn er genoeg. Het voetbalpotentieel in Amsterdam-West is enorm. Elke straatvoetballer in Stadsdeel Slotervaart wil het liefst bij een club spelen, het wordt vaak een probleem als er contributie moet worden betaald. Chabab is echter niet zo streng, dus aan spelers geen gebrek.

Maar belangrijker, er is zelfs al een trainer: Marrakchi.

Echt van harte stemt Marrakchi niet in met zijn nieuwe functie; het is toch een degradatie. Maar als tegenprestatie zal het bestuur zijn trainerscursus (Oefenmeester 2, kosten € 1600,-) betalen. “Er zijn zeventien spelers en ze willen op maandag en donderdag gaan trainen,” zegt Marrakchi, “maar op maandag kan ik niet, want dan heb ik cursus.”

Mimoun zegt dat hij Marrakchi op die avond zal vervangen. Hij knikt zelfverzekerd. Hij heeft vaker met dat bijltje gehakt. Bij DWS traint hij ook een juniorenteam.

Marrakchi houdt iedereen nog even in spanning: “Áls ik het ga doen,” zegt hij met z’n trainerstem, “áls ik het ga doen, dan wil ik net als Najib twintig ballen –en goeie hč-, twintig overgooiers, kleine pionnen en grote pionnen. En twee van die kleine doeltjes.”

Er wordt geknikt (‘natuurlijk, dat wordt geregeld’), maar een keiharde toezegging krijgt hij niet. Er is trouwens ook niemand die notities maakt.

 

Hassan gelooft dat het wel goed komt met de A-junioren: “Ik heb ze vorige week onder handen genomen, maar er zitten intelligente koppies bij. Ik heb een prima avond met ze gehad. Ik heb tegen ze gezegd: ‘Jullie willen respect, dan moet je dat ook geven’.”

Marrakchi heeft nog steeds zijn bedenkingen: “Het gaat om een heel seizoen hč?” Hij maakt zich vooral zorgen om het vervoer: “hoe wordt dat geregeld dan?”

“Probeer de ouders erbij te betrekken,” zegt een van de aanwezigen. Dat voorstel wordt weggehoond door de ervaringsdeskundigen. Mimoun geďrriteerd: “Dat heeft geen zi-hin! Het kan ze niks schelen wat hun zoon doet.”

Karim, selectiespeler en trainer-coach van de C-junioren: “Stuur de ouders dan een brief in het Arabisch.” Maar er wordt niet gereageerd op zijn voorstel.

 

Zonder dat er iets is besloten zijn we alweer bij het volgende agendapunt aangekomen: de junioren en pupillen.

Hassan tegen Karim: “Heb je een team?”

Karim: “Ik heb wel en niet een team. Ik heb twaalf jochies, maar dat zijn E-tjes, D-tjes en C-tjes, daar kan ik geen C-junioren van maken. Ik ben teleurgesteld, omdat het vorig jaar zo goed ging en nu is tachtig procent van die jochies weg en ik weet niet waar ze zijn.”

Hassan kijkt bezorgd: “Maar dat gaan wij oplossen. En woensdag krijg jij een jongetje van mij.”

 

“Dan nog het grofvuil, dat moet nu écht worden verwijderd.” Hassan doelt ondermeer op twee lederen banken die buiten staan en nog wat ander afgedankt materiaal dat verspreid ligt rond het clubgebouw. Hassan richt zich tot penningmeester Mohammed: “Jij kunt onze klusjesman toch 20 euro geven voor een aanhangwagen?” De penningmeester kijkt even om zich heen of hij de aandacht van de anderen heeft en heft theatraal de handen ten hemel: “Ik heb geen cent, ik ben een penningmeester zonder portemonnee.” Hassan stelt hem gerust: “Charly heeft net met sponsors gesproken. Na vanavond is er weer geld.”

Binnen anderhalf uur is de vergadering ten einde en kan de competitie beginnen.

“O ja, Igor, jij maakt de notulen?”

Ik schrik op uit mijn aantekenboekje en stamel dat ik niet alles heb opgeschreven. Vooral de Arabische gesprekken waren moeilijk te volgen. Oh, dat is geen enkel bezwaar.

“En ik ben hier in de eerste plaats als journalist,” zeg ik, “dat kan elkaar bijten.” Hassan, de vooruitstrevendste van het stel, ziet geen problemen: “Je hebt de volledige vrijheid om te schrijven wat je wilt. We leven in een democratie, hier is vrijheid van pers. Ja toch?” Hij kijkt in het rond, maar ontmoet toch wat oppositie.

Bijvoorbeeld van Larbi, de zelfverklaarde manager. Die vindt dat elk stukje dat ik in de Volkskrant over Chabab schrijf eerst gelezen moet worden door het bestuur en ik heb het sterke vermoeden dat hij zichzelf daar ook toe rekent.

Ik leg uit dat zoiets onwerkbaar is. En dat ik niet de goedkeuring van een aantal mensen nodig heb als ik bijvoorbeeld over een speler schrijf. Hassan vindt dat ook ondoenlijk: “Nee, hij mag schrijven wat hij wil, dat is zijn eigen verantwoordelijkheid.”

 

Opgelucht verlaat ik de club.

Verslaggever-notulist, eigenlijk een ideale combinatie, concludeer ik als ik opgetogen naar huis fiets.

 

(eerste deel van hoofdstuk 3 uit Onder Marokkanen, een jaar bij FC Chabab)