X Alcohol in de kantine, of de Fitna op microniveau

 

Alcohol is dan wel een Arabisch woord en een van de pijlers van het amateurvoetbal: bij mijn club wordt het dit seizoen niet geschonken. Tot vorig seizoen stond er nog gewoon een biertap bij Chabab. Maar die is op last van enkele belangrijke sponsors ontmanteld. Ik ben er –het is nu maart- nog steeds niet achter gekomen wie die sponsors zijn. Van een zeer betrouwbare bron heb ik vernomen dat zij zelf in ieder geval niet vies zijn van een slokje.

Zij streven naar een nette islamitische vereniging. Ter compensatie, zo beloofden deze geldschieters mondeling, zouden zij de gederfde kantine-inkomsten aanvullen.

Dat het besluit niet door iedereen zou worden toegejuicht werd mij dit seizoen al heel snel duidelijk.

Het is begin september, na mijn eerste vergadering, als vice-voorzitter Hassan op samenzweerderige toon tegen mij fluistert dat ik moet blijven zitten. Terwijl de anderen naar huis gaan, haalt Hassan een in papier gehulde fles uit zijn tas en zet deze op tafel: Ricard (Apéritif Anise). Hij ziet in mij blijkbaar een medestander en gebaart dat ik het er rustig van moet nemen.

Hassan snelt heen en weer tussen de bestuurskamer en de keuken. En brengt glazen, ijsblokjes, brood, zalmsalade, kaasblokjes en pinda’s. Daarna gaat de deur op slot.

“Mogen ze dit niet zien?” vraag ik.

“O, dat maakt mij niet uit hoor,” zegt Hassan laconiek terwijl hij de longdrinkglazen met ijsblokjes vult en daarna tot de rand vol schenkt.

“Van die mensen trek ik mij echt niks aan. Dit is gewoon lekker rustig zo. “Proost.”

“Maar alcohol is toch haram voor een moslim?” zeg ik.

Volgens Hassan ligt dat toch genuanceerder. “Alleen het gedrag van de profeet zegt er iets over. Ja, dit mag je best opschrijven hoor.” Ik pak mijn notitieblokje erbij en luister naar de citaten die Hassan uit zijn hoofd declameert.

“De profeet zegt:

1) je mag niet bidden als je hebt gedronken.

2) Drinken, gokken en lot gooien zijn werken van de satan. Die mag je niet aanraken.

En 3): Tien mensen zijn vervloekt omdat ze dronken waren.

Maar…” benadrukt Hassan, “het wordt dus niet letterlijk verboden in de koran.”

Daar proosten we op.

Om 0.30 uur -de fles is nog niet leeg- worden we gesommeerd naar huis te gaan. Behoorlijk aangeschoten maar met een gerust geweten loop ik door de alcoholvrije kantine naar mijn fiets.

 

Als ik het onderwerp later met speler en ex-jeugdtrainer Karim bespreek, kan hij een schamper lachje niet onderdrukken: “Alcohol is voor moslims uit den boze, net als drugs, nicotine en andere verslavende middelen.”

Karim vindt het echter om een heel praktische reden ook beter dat er geen alcohol bij Chabab vloeit. “Sommigen kunnen er niet goed tegen. Wij zijn warmbloedige mensen, dat is nu eenmaal zo.”

Volgens Hassan moeten Marokkaanse clubs echter veel moderner worden. “Wij moeten niet als een slak in je eigen huisje blijven, in deze metropool. Maar ons aanpassen aan de omgeving. Anders ga je kapot.”

Het is een strijd die binnen meer islamitische clubs wordt gevoerd.

“De voorzitter van Sporting Maroc,” zei Hassan tijdens ons alcoholisch onderonsje, “echt een hele goede man en een vriend van mij, is ook opgestapt wegens onenigheid over alcohol.”

Hier komt de fitna binnen de islam duidelijk aan de oppervlakte. De Fitna (letterlijk: schisma) staat de praktische totstandkoming van de wereldwijde islamitische gemeenschap in de weg. De Fitna verdeelt niet alleen de islamitische gemeenschap, maar kan ook in één persoon woeden.

 

Probeer maar eens de juiste weg te vinden als moslim in een stad met zoveel verleidingen.

“Al die oudjes hier zuipen,” zei een van de spelers lachend.

“Of dat kan? Ieder gelooft op zijn manier, de islam is wat dat betreft niet anders dan de rooms-katholieke kerk. Ja, er zijn gekken die denken dat je van de koran je baard moet laten groeien en mensen van een ander geloof moet doden.”

De speler in kwestie drinkt zelf ook en probeert, zoals de grote meerderheid bij Chabab, de gulden middenweg te bewandelen.

Al slaan sommigen die over. Dat is een wonderlijk fenomeen: alsof zij zich op een snelweg bevinden, zich opeens bedenken, een afslag nemen om vervolgens keihard de andere kant op te rijden, waarbij het beeld van hun vorige (zondige) leven razendsnel in de achteruitkijkspiegel verdwijnt.

Van verschillende medespelers heb ik gehoord dat Achmed, de speler die zo duidelijk zijn religie uitdraagt, in een recent verleden een behoorlijke losbol is geweest.

En dan is er nog Bilal, die iedereen bij Chabab tegen zich in het harnas heeft gejaagd en een maand geleden aan de trainer nog lachend bekende dat hij inderdaad weer een nieuw mobiel nummer had “omdat ik het altijd kwijt raak als ik dronken ben.” Daarna veranderde hij in korte tijd, er groeide een plukjesbaard op zijn wangen en ten slotte kwam hij helemaal niet meer. Bilal is voor een aantal maanden naar Marokko gegaan ‘om op het rechte pad te belanden.’

Habib zegt dat het misschien wel goed voor hem is. Een medespeler denkt daar heel anders over. “Die jongen doet alles wat God verboden heeft, laat z’n baardje staan en dan is hij nu naar Marokko om een heilige te worden? Waarom moet dat zo zwart-wit. Ik vind het belachelijk.”

 

“Ik val niemand lastig als ik drink,” zegt Hassan. “Als je hasj rookt in de kantine dan val je wél mensen lastig. Die lucht is verschrikkelijk. Het is hier toch net een coffeeshop, man.”

Hassan is bij Chabab nog steeds de enige die openlijk tegen het alcoholverbod rebelleert. Hij had onlangs zelfs een laaiende ruzie met Taher en diens entourage. “Ik heb met stoelen gegooid en gezegd dat ik Taher door het raam zou gooien.”

Een interessante ontwikkeling is evenwel dat Hassan de laatste weken toch wat medestanders krijgt. Er gaan steeds meer stemmen op de alcohol weer terug in de kantine te krijgen. Ook omdat het beloofde geld nog steeds niet is overgemaakt door de sponsors en elke euro meer dan welkom is.

Het lijkt of de alcohol eerder een financiële kwestie is dan een principiële geloofszaak.

Opmerkelijk is het alcoholverbod zondermeer, vooral omdat er in de kantine wél gepaft wordt bij het leven. Veel selectiespelers komen niet eens meer naar boven omdat er zo’n doordringende hasjlucht hangt.

Het bestuur kan daar volgens Hassan weinig tegen doen. Taher is de pachter en hij staat het gebruik van softdrugs toe.

Nee, het is geen zonnig huwelijk tussen Chabab en de pachter. “Het bestuur praat ook niet meer rechtstreeks met Taher,” zegt Ahmed, “Ze sturen altijd Abbas op hem af om de huur te vragen. Taher haat dat.”

Wanneer de onenigheid precies is ontstaan heb ik niet kunnen achterhalen, maar zij kreeg een behoorlijke impuls toen Taher in de zomer aan het bestuur vroeg om mee te betalen aan een ontluchtingssysteem in de kantine. Zo kon de rooklucht worden afgevoerd. Maar Taher kreeg nul op rekest van het bestuur. Het waren immers zijn klanten. En zo is de kantine elke avond in nicotine- en thc-nevelen gehuld en wordt er gemiddeld drie keer per week over geklaagd door bestuursleden.

 

Ik sla het boek Halal en Haram er nog maar eens op na en lees:

‘Alles wat bedwelmt is haram. Drugs vallen beslist onder deze categorie . Het drugsverbruik vermindert het vermogen om te redeneren en te beslissen. “Zulke drugs worden genomen om aan de innerlijke realiteit van gevoelens en de uiterlijke realiteit van het leven en de religie te ontsnappen, om haar toevlucht te zoeken tot het rijk van de fantasie en de verbeelding.”

Mmm, klinkt als een verleidelijke reclame.

In het boek zegt een zekere Sheik al Islam, Ibn Taymiyyah: “Dit stevige gras (hasjies) is haram. Zondige mensen roken het, want ze menen dat het hen licht en snel maakt. Hasjies zorgt voor dufheid en lethargie (doffe onverschilligheid).”

Ook tabak is haram, lees ik verder: “zeker voor iemand tegen wie de dokter gezegd heeft dat hij moet stoppen met roken.”

De hadd-straf voor het roken van hasjies is hetzelfde als voor het drinken van wijn: dat wil zeggen veertig tot tachtig zweepslagen.

Als ik dit in de kantine vertel aan een paar zondaars –stuk voor stuk vaste bezoekers, grijzende mannen- moeten ze hard lachen. Een van hen gaat al demonstratief gebukt staan.

Ik krijg sterk de indruk dat de mannen van de eerste generatie soepeler zijn dan de jongeren.

Karim legde het mij in november al eens uit: “Jonge Marokkanen gaan steeds meer interesse in de islam tonen omdat er zo negatief over wordt bericht. Tien jaar geleden was er juist desinteresse bij Marokkanen. Je zag bijna geen jongeren in de moskee. De laatste jaren zie ik ze veel meer en ik zie ook veel meer jongens met baardjes.”

Karim en ik spraken elkaar kort na het veelbesproken moment van de Syrische imam die weigerde minister Verdonk de hand te schudden. Karim moest lachen: “Die imam, ik vond het prachtig. Hij had een duidelijk standpunt. Dat kun je toch respecteren? Ik zou ook niet in het openbaar ook zomaar aardig kunnen doen tegen een andere Marokkaanse vrouw.”

Ik begreep niet dat zo’n jongeman die zo in het moderne leven stond dit kon zeggen. Tot ik de volgende passage las in Omgaan met Marokkanen: ‘Marokkanen denken vrij algemeen dat wanneer een vrouw en een man maar in de gelegenheid gesteld worden, ze ook tot een seksuele relatie zullen komen. Omdat de publieke opinie hier heel erg op gespitst is, moet iedere schijn dat er iets ongeoorloofds gebeurd zou kunnen zijn vermeden worden.’

En in De kunst van het overleven stond: ‘In Noord-Marokko is het gebruikelijk: meisjes/vrouwen vanaf twaalf jaar ontmoeten elkaar thuis, mannen treffen elkaar buitenshuis.

Ik kom wel regelmatig gesluierde vrouwen tegen op het sportpark. Maar die slaan nooit rechtsaf, ze lopen altijd rechtdoor naar het clubhuis van de Turkse club Serefspor. Bij Chabab heb ik nog nooit een Marokkaanse vrouw gezien.

“Dat is nu eenmaal onze cultuur,” zegt Karim. “Die kun je niet veranderen.”

“Maar Nederlandse vrouwen worden hier zeer vriendelijk bejegend,” werp ik tegen.

“Dat is iets anders. Als bij Chabab een Marokkaanse vrouw zou binnenkomen dan vallen de monden open bij veel mannen. ‘Wat een slet,’ zou er dan worden gezegd. Dat vind ik heel ver gaan, maar daarom zie je de vrouwen hier ook niet tussen zitten. En ik zou mijn vrouw dat ook niet willen aandoen.”

Het is ook de strenge sociale controle in de eigen gemeenschap die de Marokkaanse vrouwen weghoudt bij Chabab. Bij Nederlandse clubs zie je namelijk wel Marokkaanse moeders langs de lijn.

Toen ik in de kantine een tijdje geleden een krantenknipsel liet rondgaan, over meisjesvoetbal bij Sporting Maroc, waren de reacties opvallend positief. Habib, zag de foto’s van gesluierde voetbalmeisjes en glunderde: “Oh, schitterend. Heel goed.”

Ahmed was ook blij verrast: “Ik hoop dat dit iets teweeg brengt. Ik ken trouwens al heel wat Marokkaanse meisjes die bij Nederlandse clubs spelen.”

En Ahmed, de rasverteller, vertelde me ook dat er in Marokko sinds enige tijd een landelijke vrouwencompetitie is. En dat hij de afgelopen zomer in Marokko zo’n meidenvoetbalteam ontmoette op het strand. En dat de trainster ‘echt een hele leuke dame’ was met wie hij een hele tijd heeft staan praten. “Bij grote voetbalwedstrijden in Marokko zie je ook wel vrouwen in de stadions. Maar dan vooral in de grote steden. In de dorpen wordt gezegd: ‘wat kom jij hier doen?’ Net als bij Chabab, ja.”

“In Marokko zijn de vrouwen verder ontwikkeld dan hier,” zegt stedeling Marrakchi (zijn afkomst ligt in zijn naam besloten: Marrakech). “Dat komt omdat tachtig procent van de Marokkanen die in Nederland wonen van het platteland afkomstig is en nog steeds heel streng leven.”

“Meidenvoetbal is trouwens wel wat anders dan vrouwenvoetbal hoor. Als ze 18-20 jaar zijn en trouwen dan mogen ze niet meer voetballen van hun man.”

Daar moest de kleine aanvoerder van het tweede hard om lachen: “Mijn vrouw mag echt wel naar buiten hoor. Sterker: ze is juist altijd de deur uit en ik weet nooit waar ze is. Nee, geintje. Maar zeg nou zelf: Wat moeten vrouwen nou bij het voetbal? Ze vindt er niks aan hier.”

Zo denkt Karim er ook over: “Voor vrouwen is het niet zo prettig om hier tussen allemaal mannen te staan. Weet je: Marokkaanse mannen mogen eigenlijk niet schreeuwen met een vrouw in de buurt. Nou, je weet hoe ze tekeer gaan hier hè. Mijn vrouw mist hier niks hoor, ze houdt trouwens helemaal niet van voetbal. Ze zwemt wel, met andere vrouwen. Ze hoeft van mij echt niet binnen te blijven.”

De kleine bedrilde dagelijkse bezoeker van de kantine kwam met de oplossing: “eigenlijk zou je hier gescheiden ruimtes moeten hebben: voor mannen en vrouwen apart. Dan willen ze wel komen.”

Maar zover is het nog niet.

Zolang ze niet naar Chabab komen, moet ik ze maar buiten de club gaan zoeken. Het voetbalseizoen is al bijna voorbij als ik eindelijk de eerste Marokkaanse vrouw ontmoet.

Wat heet: het zijn er meteen een stuk of tien. Het gemis van een heel seizoen is in één keer goed gemaakt. Ik ben in de Bijlmer aanwezig bij de zeer bescheiden première van een film over een Marokkaans gezin uit Heerhugowaard. Het is bijzonder dat deze familie zich zo heeft bloot gegeven. De filmmaakster vertelt dat het ook grote moeite kostte een gezin zover te krijgen. Een Marokkaan loopt niet te koop met zijn privé-leven.

Ik vind het een openbaring: dit modelgezin (een zoon en een dochter) in het rijtjeshuis in het slaapstadje. De vader is in zijn vrije tijd voetbaltrainer. We zien de moeder op de koffie gaan bij de Nederlandse buren en zelfs haar zoon aanmoedigen bij een voetbalwedstrijd.

Als de film ten einde is, wordt er nagepraat. De vader zegt: “Ik heb van de Nederlanders geleerd om mijn kinderen veel intensiever te begeleiden.”

Na het officiële gedeelte wordt het gezin door iedereen aangeklampt. Ik ga ook niet weg voor ik de ouders heb gesproken. Ik vraag zowel pa als ma of zij kunnen verklaren waarom bij een Marokkaanse club als Chabab geen Marokkaanse vrouwen komen. Ze weten het niet. “Maar ik ga niet meer zo vaak naar de club,” bekent de moeder, “ik sta de hele tijd te schreeuwen. Ik ben net een viswijf.”

Ook aanwezig is Jihad, een jonge, gesluierde moslima, die ik herken van het BNN-programma Het Elftal. Hierin worden jongeren met een zeer diverse achtergrond voorgesteld en samengebracht. Mijn neef Dennis zit ook in Het Elftal. Hij als ex-lastige jongen die drugs gebruikte en dealde en nu probeert als rapper naam te maken en deze Jihad als moderne moslima en studente uit Amsterdam-West.

Ik ben blijkbaar al behoorlijk geïndoctrineerd want ik twijfel bij het kennismaken of ik haar de hand mag schudden. Ik beperk me tot een vriendelijke hoofdknik.

Jihad blijkt niet zo gereserveerd en vertelt over haar moeder die altijd naar de ouderavond ging. “Achteraf ben ik er heel blij mee, maar toen vond ik dat stom want zij was de enige moeder die dat deed. De ouders van mijn vriendinnen wisten totaal niet wat hun dochters deden. Een vriendin van mij maakte haar moeder zelfs wijs dat ze gewoon was overgegaan, terwijl ze was blijven zitten. Sommige ouders weten niet eens op welke school hun kind zit.”

Ik probeer dit even goed tot me te laten doordringen. Ik dank Jihad voor deze informatie en geef haar een hand.

 

“Het geloof heeft niets met Chabab te maken,” had Habib al eens op strenge toon tegen mij gezegd toen ik naar zijn idee iets te veel in die materie zat te wroeten. “Dat moet je gescheiden houden!”

Maar de islam is alom aanwezig bij Chabab: het hangt aan de muur in de vorm van een rooster met de bidtijden, het ligt opgerold op de printer of uitgespreid op de vloer met een biddende moslim erop.

Het geloof is zo’n delicaat onderwerp dat er bij Chabab eigenlijk nauwelijks over gesproken wordt. Of is dat mijn westerse interpretatie en is het juist heel vanzelfsprekend?

Want ik constateer ook dat bij Chabab tegelijkertijd zeer verschillende stromingen zonder problemen in één team spelen. De godslasteraar zet de Godaanbidder bij de eerste paal neer.

Diegenen die willen bidden krijgen daarvoor de gelegenheid en diegenen die niet zo vroom zijn worden ook niet lastig gevallen.

En soms is iets niet wat het lijkt. Blijkt een bidkleed op een zondagmiddag helemaal geen bidkleed te zijn:

Met Djamal en de vaste nazitters Kamal en Mourad zitten we na de wedstrijd (alweer verloren, niet over praten) naast de trap en het B-veld in de lentezon. Er komt een man aangefietst. Op zijn bagagedrager ligt een groot opgerold tapijt. Het is alsof hij een enorme staart heeft. Kamal en Mourad moeten een beetje grinniken als de man passeert en het vermeende bidkleed twintig meter verderop uitrolt in het zestienmetergebied van het B-veld.

“Zoho, die gaat flink bidden,” zegt Djamal.

En daar gaan ook al wat anderen naar het kleed. De schoenen blijven echter aan en in plaats van neer te knielen, nestelen zij zich gerieflijk op het kleed terwijl de kleedeigenaar ondertussen een flinke joint aansteekt.

We schieten met z’n vieren in de lach.

Ik vraag of zij misschien weten waarom De Verkoper de laatste tijd geen spullen meer aanbiedt. Mourad en Kamal beginnen te lachen.

“Geen premie, hè,” zegt Kamal.

Mourad: “Geen geld, geen handel.”

Ik sla mijzelf voor het hoofd. Die link had ik nooit gelegd.

 

Blowen wordt zeer openlijk gedaan, alcohol wordt vooral in de anonimiteit gedronken. Behalve door Hassan. Als hij tegenwoordig in de kantine zit te kaarten, dan staat er pontificaal een fles rode wijn op zijn bijzettafeltje.

“Wordt het door de vingers gezien?” vroeg ik vorige week.

“Oh, van dat verbod heb ik mij nooit iets aangetrokken. Wil je ook een glas? Het is heerlijke wijn.” Ik bedankte, ik had er wel trek in, maar had net een muntthee besteld. Of was ik toch een beetje huiverig om te provoceren en liet ik Hassan hier in de steek?

Anderen durven Hassan nog niet te volgen of mee te drinken, maar de stemmen om de alcohol weer te herintroduceren klinken steeds luider.

Ook wordt er geklaagd over de kantinebeheerder, de sfeer op de club, over het beloofde maar nog steeds niet betaalde smartengeld van de sponsors, over Chababs geldgebrek, het bestuur en over het eerste elftal.

Het eerste had zondag alweer verloren, thuis nog wel. Gevolgd door de inmiddels vertrouwde scène waarin Najib weer de enige was die uiterst kalm bleef. Hij trok zijn jas aan en richtte zich nog even terloops naar zijn assistent Marrakchi. “Je moet aan de bak dinsdag, Marrakchi.” Hij zei met vreemde lach, die hij nog niet eerder had getoond. “Jij moet trainen, ik kom niet meer.”

Marrakchi was perplex, zijn harde stem klonk zachter dan ooit: “Dat kan niet, Najib. Dit moeten we samen oplossen.”

Maar Najibs besluit stond vast. “Ik zo kan niet verder. Ik voel mij ook in de steek gelaten door sommige spelers. We hadden weer een slechte voorbereiding. Ik moest vanmiddag nog spelers bellen dat het door ging. Sommigen waren onbereikbaar.”

In de bestuurskamer was het nog niet eerder zo stil geweest. “Ik heb hier geen energie meer voor,” besloot Najib, terwijl hij zijn jas dichtknoopte. De altijd zo stoïcijnse trainer was geëmotioneerd. Ik kreeg een langduriger handdruk dan gebruikelijk. Daar ging de trainer, hij manoeuvreerde zich geruisloos door de lawaaiige kantine. Schudde nog wat handen en verdween door de klapdeuren uit het zicht.

 

Wat precies de reden is van de ingelaste vergadering weet ik niet, maar op 15 maart vind ik mijzelf weer terug in het verzamelgebouw aan het August Allebéplein. Ditmaal niet bij de buurtvaders (de fusiebesprekingen liggen stil, vermoed ik), maar op het kantoor van de Marokkaans-Nederlandse stichting Rabita. In de grote ruimte staan tientallen afgedankte rolstoelen en oude computers. “Gaat allemaal naar Marokko,” zegt Rabita-voorzitter Mohammed el Johari tijdens een korte rondleiding.

We nemen plaats aan de grote tafel. We, dat zijn: sponsors, ex-bestuursleden en bestuursleden van de mysterieuze Stichting Vuurtoren. Deze stichting ten behoeve van straatjongeren, die Chabab in 1996 schijnt te hebben overgenomen, schijnt de eigenaar te zijn van het clubgebouw.

Ik mag weer de notulen opschrijven.

Een van de belangrijkste punten is de kantine. Hassan steekt van wal: “We leven in Nederland, het is gewoon belachelijk dat we geen alcohol schenken. Die Nederlandse clubs die bij ons komen, begrijpen er niks van. En de club loopt dit seizoen te veel inkomsten mis door het verpachten van de kantine.” Dat laatste vinden de andere aanwezigen ook onverteerbaar. Elke avond zit de kantine stampvol, maar Chabab profiteert daar niet van.

Charly laat ook doorschemeren dat hij de financiële gaten van Chabab niet eindeloos blijft opvullen. Hassan stelt voor dat Taher op 31 mei de sleutels inlevert: “En dan gaan wij de kantine zelf doen, met een man die te vertrouwen is.”

Dit voorstel wekt de nodige beroering. Ik begrijp wel enigszins waarom niet iedereen dit ziet zitten. In het verleden runden vrijwilligers van Chabab de kantine, maar uiteindelijk kon iedereen achter de bar gaan staan en verdween er veel geld uit de kassa. Ondanks de grote omzet was er nauwelijks winst.

En over de alcohol is ook duidelijk nog geen consensus. Al staat Hassan ditmaal niet alleen: een lange man die vorig jaar in het Chabab-bestuur zat en nu –geloof ik- namens Vuurtoren aanwezig is, slaagt erin met zijn krachtige stem boven het gekrakeel uit te komen: “Vorig jaar is er op dictatoriale gronden een beslissing genomen. We kwamen weer op de club en het leek wel een Taliban-regime. Tss, en dat in deze westerse wereld. Belachelijk!”

Daarop staat een kleine man op. Ik ken hem vrij goed, al weet ik niet wat zijn functie bij Chabab is. Hij bezoekt elke wedstrijd en heeft duidelijk invloed. Hij begint te fulmineren en doet dat zo ongemeen fel, dat mijn vermoeden na vele maanden eindelijk wordt bevestigd: hij is een van de sponsors die het alcoholverbod heeft ingevoerd. Hij schreeuwt iets in het Arabisch en ontketent zo’n vurige discussie dat zijn nek rood wordt en er steeds meer bloed naar zijn gezicht stroomt. Hij is niet meer voor rede vatbaar, waardoor zijn tegenstanders afhaken en hij eigenlijk bezig is met een soort donderpreek.

Alleen Charly probeert hem lachend te kalmeren. Hij ziet de lol er wel van in, de anderen horen hem aan met geïrriteerde gezichten. “Heb je een paracetamol?” fluistert Habib tegen mij. Het geschreeuw van de sponsor doet ook letterlijk pijn aan mijn oren. Even verderop zit de voorzitter van Rabita en onze gastheer achter een computerbeeldscherm met zijn hoofd te schudden: “Wat een stelletje gekken.”

Als de sponsor is uitgetierd, besluit Hassan dat er maar moet worden gestemd over de kantine. Iedereen mag een stem uitbrengen, totaal tien personen. Omdat ik mijzelf nog steeds als een passant beschouw, stem ik blanco. Maar ook omdat ik grote twijfels heb of Chabab de kantine in eigen beheer kan runnen. Zes personen stemmen voor, waarmee Chabab na de zomer de kantine weer zelf beheert.

Met nadruk meldt Hassan dat er volgend seizoen dus gewoon weer alcohol wordt geschonken.

“Behalve op zaterdagochtend.”

Hier zijn alle aanwezigen het wél verrassend unaniem over eens. De jongste jeugd mag niet zien dat er alcohol wordt genuttigd. Alsof diezelfde jeugd op zondagmiddag massaal de kantine mijdt.

Om de ‘verliezers’, de droogleggers van Chabab, nog een beetje genoegdoening te geven, zegt Charly dat het een proefperiode betreft van drie maanden. “Is het winstgevend, dan gaan we ermee door.” Iedereen knikt. Wat er gaat gebeuren als het níet winstgevend is, blijft onbesproken. En er is ook niemand die daarnaar vraagt.

En wie de bar gaat beheren is ook nog niet bekend. Habib schudt het hoofd: “Dat wordt niks.” Hij ziet de bui alweer hangen en eist de aandacht van iedereen op: “Maar we moeten dan niet weer openblijven tot 4.00 of 5.00 uur s’nachts. Ik weet hoe dat gaat: als ik dan zondagochtend bij de club kom, mag ik zeker weer de troep opruimen?”

Hij kijkt met streng gezicht de kring rond: “Dat hebben jullie nog nooit gedaan, maar dat is echt heel smerig. Ik waarschuw jullie: als dat volgend seizoen één keer gebeurt, dan doe ik de deur weer dicht en ga ik meteen naar huis en doe ik niks meer voor de club.”

De waarschuwing maakt indruk. Nee, natuurlijk wordt dat nu goed geregeld, bezweert Charly:

“Daar gaan we serieuze mensen voor nemen.”

“Er moet een werkrooster komen,” zegt Hassan, “zodat de arbeid wordt verdeeld.”

De sponsor, zijn gezicht is nog steeds rood, roept dat zoiets toch niet lukt.

“Wie gaan dat dan doen!? Nou? Wie? Welke vrijwilligers!?”

Hij kijkt uitdagend de kring rond.

“Zeg dan! Zeg dan!”

Het blijft stil, dus geeft hij zelf antwoord. “Die mensen die daar elke avond zitten te kaarten?” Hij maakt een wegwerpgebaar.

En hij heeft een punt. Die groepjes kaarters zijn de anderen ook een doorn in het oog. Het ex-bestuurslid: “De kantine wordt gekaapt door mensen met een uitkering en die niks met Chabab te maken hebben en alleen maar zitten te kaarten en te roken. Ze slaan hard op de tafels, het lijkt wel Irak.”

“Maar kun je die mensen de toegang tot de kantine ontzeggen?” vraag ik.

“Ze moeten allemaal lid worden van Chabab en ook contributie betalen,” zegt

Hassan.

“Vriend, dat gaat niet werken,” verzucht de sponsor, die geen energie meer heeft om zijn stem te verheffen.We komen er niet helemaal uit: dit agendapunt wordt dus vooruit geschoven. Daarover moet volgend seizoen maar eens worden vergaderd.

Wat betreft het bestuur: penningmeester Soussi wil niet meer en donderdag moet het financiële jaarverslag van het vorige seizoen toch echt worden gemaakt. Het ex-bestuurslid belooft te komen. Hij heeft dat in het verleden wel eens ingevuld.

Charly heeft ook nog verheugend nieuws, al heb ik sterk de indruk dat hij het ter plekke heeft bedacht. “Het bestuur wordt versterkt,” zegt hij triomfantelijk. “En de Stichting Vuurtoren moet meer samenwerken met Chabab. We hebben te weinig mensen bij de club. Vanaf volgend seizoen moeten er vijftien vrijwilligers van de stichting bij Chabab gaan helpen.”

Dit is een zeer opmerkelijk plan omdat die stichting hooguit drie bestuursleden telt en slechts op papier bestaat (al weet ik dat sommige instanties zelfs dat laatste bestrijden).

Een paar aanwezigen kijkt dan ook zeer bedenkelijk, maar gaat er verder niet op in. Plannen van de voorzitter, hoe onrealistisch ze ook mogen zijn, worden sowieso zelden afgekeurd.

Of heeft het ermee te maken dat je, zoals in Omgaan met Marokkanen staat ‘een meerdere niet en public kunt tegenspreken.’

Hoe dan ook, volgens de notulen is Chabab in één klap van het vrijwilligersprobleem af.

Dan nog de selectie. Na het verlies van zondag moet er echt iets gebeuren, vindt Charly. “Najib wil stoppen, maar dat kan niet. Hij moet het seizoen afmaken. Maar voortaan gaan Hassan en ik elke zondag de trainer helpen. De spelers luisteren niet naar hem, hij is te lief.”

De vergadering is beëindigd, maar daarna rakelt de discussie over de alcohol weer op. De gastheer El Johari heeft achter zijn beeldscherm meegeluisterd en vindt het onbegrijpelijk dat Chabab weer alcohol gaat schenken. “Ik zal mijn vijftienjarige zoon ook niet meer meenemen naar Chabab. Stel dat hij een Marokkaan een biertje ziet drinken, dan vraagt hij: ‘wat is dat?’ Ik wil niet dat hij dat ziet.” En op dat moment zie ik Mimoun, die rechts naast mij zit en de hele vergadering eigenlijk zeer rustig was, ontploffen van woede. Hij schiet overeind uit zijn stoel en priemt met zijn vinger naar de gastheer:

“Dus jíj gaat niet meer naar Chabab!?”

El Johari, gedecideerd: “Nee, natuurlijk niet.”

“Maaaaar,” vervolgt Mimoun, “jij laat je zoon wel bij DWS voetballen?”

El Johari knikt. Dat is ook logisch, want hij is –net als Mimoun- jeugdtrainer bij DWS.

Mimoun: “Wat schenken ze daar dan bij DWS?...Karnemelk!?”

Daar heeft El Johari geen antwoord op.

“Man, jullie zijn echt verdwaald!” foetert Mimoun.

Er wordt besmuikt gelachen.

Ik tik op de arm van Mimoun: “Wie zijn er verdwaald?”

Hij is nog kwaad en draait zich zo fel om dat ik ervan schrik.

“Hè? Wat?”

“Wie bedoel je?” vraag ik. “Wie zijn er verdwaald?”

Mimoun: “O, die Marokkanen. Ze weten niet of ze dit of dat willen.”

Het ex-bestuurslid valt hem lachend bij: “Ach, alle Marokkanen drinken alcohol, maar onder tafel,” zegt hij, knipogend in mijn richting. Hij kijkt de tafel rond, ziet dat iedereen nog aanwezig is en neemt het woord. “Mag ik hier nog wat over zeggen? Ja? Oké, Ik vind dat die mensen met die tapijten en die baarden weg moeten. Oprotten, ik wil ze daar niet meer zien. En ook geen aparte bidruimte, dat hoort niet op een voetbalclub.”

Een reactie kan niet uitblijven en uit de hoek klinkt een schriele schreeuw. Het is Habib die, in weerwil van zijn breekbare stem, behoorlijk uit zijn slof schiet. “Oh ja? En ik dan! Mag ik ook niet meer komen?!” Habibs ogen spuwen vuur. Geschrokken maakt het ex-bestuurslid een uitzondering voor Habib: “Nee, nee, Habib, jij niet hoor.”

Als we onze jassen aantrekken, probeert Mimoun mij duidelijk te maken wat hij zo-even bedoelde met verdwaalde Marokkanen. “In Marokko lopen ze in blote tieten en hier gaan ze gesluierd. Het is toch belachelijk.”

De sponsor met het rood aangelopen hoofd klampt mij ook nog even aan. “Die alcohol doen ze alleen maar voor zichzelf hoor. Zij vinden dat belangrijker dan de mensen van Nederlandse clubs die hier op bezoek komen. Die vinden het geen probleem.”

Dat is niet helemaal waar. Ik zal niet snel de gezichtsuitdrukking vergeten van de scheidsrechter die na de wedstrijd met natte haren voldaan neerplofte op een stoel in onze bestuurskamer. “Zo, mijn werkdag zit erop, doe mij maar een biertje,” zei de scheidsrechter verlekkerd. Charly lachte even naar mij en zei toen “sorry meneer, maar dat hebben we niet.” Het frisje dat Charly aanbood sloeg de arbiter gedecideerd af en binnen een minuut had hij het complex verlaten.

Of de begeleider van bezoekende club JOS (wallen onder getroebleerde ogen) die verontwaardigd uit de kantine tevoorschijn kwam.

“Ze verkopen hier helemaal niks: geen bier, geen vieux!”

De aangesprokene, een man met aan zijn hand een kinderwagen, vond dit toch al te kras. “Toch wel bier?”

“Nee! Ik weet niet waarom. Marokkaanse club ofzo?”

Man met kinderwagen: “Ja maar, ze verkopen toch wel flesjes?”

De leider schudde het hoofd en zijn wallen wiebelden mee: “Cola, cola light, dat is het.”

Man met kinderwagen chagrijnig: “Nou, mooi is dat.”

Dat vond de leider nou ook: “Ja, mooi is dat.”

 

Buiten, terwijl we terug lopen naar de auto, is Habib nog steeds zeer verontwaardigd. “Hij zegt dat we buiten niet meer mogen bidden, wat vind jij daar nou van, Igor?”

“Ik ben er al aan gewend geraakt,” zeg ik. “En niemand heeft er last van.”

In Charly’s Mercedes rijden we terug naar Chabab. Hij kijkt me aan door de achteruitkijkspiegel: “was wel goed hè, Igor? Wat ik zei over het bestuur en zo.”

Ik knik.

We zoeven door de lege straten van Amsterdam-West. “Is dit een kortere route naar Chabab?” vraag ik. Nee, maar er moet nog een grote envelop worden gekocht, zodat een protestbrief bij de KNVB in de bus kan worden gedaan. Hierin zitten foto’s van de matchwinnaar van Zeeburgia die volgens Charly voor Sporting Maroc speelt en helemaal niet gerechtigd is om voor Zeeburgia te spelen.

“Het is 22.00 uur, ik denk niet dat er nog een kantoorwinkel open is,” zeg ik.

Habib, die naast Charly zit, denkt er ook zo over.

“De avondwinkel,” zegt Charly.

Ik: “Die verkopen toch geen grote enveloppen.”

Charly zet de auto stil bij een avondwinkeltje en draait zich om: “Kun je toch even vragen? Alsjeblieft?”

Schoorvoetend doe ik het, overtuigd van de nutteloosheid van deze actie.

“U verkoopt zeker geen grote enveloppen hè,” zeg ik tegen de Indische verkoper.

“Nee. Nou, misschien wel…wacht even.”

En hij verdwijnt naar achteren, in de huiskamer. Even later keert hij terug, met een paar kleine enveloppen.

“Deze zijn te klein zeker?”

Ik knik.

“Jammer. Tot ziens.”

We overtuigen Charly om niet verder te zoeken.

Als ik bij Chabab ben afgeleverd loop ik naar mijn fiets en kom ik tot mijn grote verbazing Najib tegen. Hij is toch niet gestopt en dus ook niet zo blij met het Volkskrant-artikel, waarin ik zijn dramatische vertrek had beschreven.

 “Je had niet gezegd dat je erover ging schrijven,” zegt Najib.

“Nee, maar je klonk zo definitief  dat ik niet dacht je erop zou terugkomen.”

“Ik ben er ook nog niet helemaal uit. Ik wilde vanavond weten of de spelersgroep mij nog steunt,” zegt Najib.

“En, hoe was het gesprek?” vraag ik.

“Er is niet echt een gesprek geweest. Er waren te weinig spelers.”

“En hoe was het gesprek met het bestuur?” vraagt Najib.

“Tsja, er is heel veel besproken en er komt volgend jaar weer bier.”

Ik verzuim tegen Najib te zeggen dat hij niet mag stoppen en de rest van het seizoen zal worden geholpen door Charly en Hassan.

 

Als ik op donderdagavond tegen achten de kantine binnenstap, zit Habib te kaarten met een groepje oude mannen. De stemming is vrolijk. Ze zingen en neuriën Marokkaanse volksliedjes. Als de ene de tekst even niet meer weet is er telkens een ander die hem aanvult. Soms zingen ze meerstemmig.

Als Habib klaar is en mij meetroont naar de bestuurskamer, is zijn vrolijkheid in één keer verdwenen. Alsof hij een ander gezicht heeft opgezet. “Ik had hier om 19.00 uur afgesproken. En niemand is er! Het is toch onge-lofelijk.”

Zoals Habib dat laatste woord uitspreekt. Verontwaardigd, maar ook met een vleugje verwondering. Nog steeds oprecht verbaasd dat anderen te laat komen op een afspraak. Hij wil het simpelweg niet accepteren, Habib is een idealist.

Maar Abbas heeft een taxi en er moet toch brood op de plank komen. Uiteindelijk komen Abbas en het ex-bestuurslid toch opdagen. Hoe ze het doen weet ik niet, maar in een mum van tijd hebben ze het financiële jaarverslag ingevuld.

Het ex-bestuurslid is weer in genade aangenomen door Habib.

“Eigenlijk moet jij weer terugkomen in het bestuur,” zegt Habib.

“Misschien doe ik dat wel, ja. Ze gaan in elk geval weer gewoon bier schenken. Habib dronk en rookte vroeger ook,” zegt hij lachend.

“Iedere moslim doet het op zijn eigen manier,” zegt Habib. “Ik veroordeel niemand.”

Habib is weer opgetogen. Hij slaat Abbas, die aan de bar staat, een paar keer hard op zijn schouders. Die kijkt niet eens om; zijn schouders worden geregeld gebruikt om op te slaan.

Ik moet lachen: “Dat kan goed hè, bij Abbas.”

Habib knikt: “Hij is wel een beetje dik geworden.”

Het is inderdaad moeilijk voor te stellen dat hij drie jaar geleden nog in het eerste speelde. Abbas trekt zijn shirt omhoog en daar komt een imposante buik tevoorschijn. Hij slaat er hard op met zijn vlakke hand; de petsen kaatsen door de kantine. Een A-junior die aan de andere kant van de bar een broodje shoarma zit te eten, kan zijn lach niet beheersen en proest het uit.

“Moet je kijken wat een vet,” zegt Ayachi Lazaar, die in een van Abbas’ vetrollen knijpt.

“Je eet te veel chocola.” Fluisterend, tegen mij: “Die heeft ie in zijn taxi liggen.”

“Van chocolade word je niet dik,” zegt Abbas stellig.

Ayachi en ik denken daar anders over.

“Van een paar Snickers wordt je niet vet hoor. Eerlijk waar.”

Abbas laat ten bewijze zijn joggingbroek zakken en staat nu in zijn onderbroek en met blote buik in de kantine.